Hoofdstuk 28

28. Over de relatie tussen schaken en dammen
 Tot ongeveer 1960 heb ik geschaakt en gedamd, daarna vooral gedamd. Omstreeks 1970 raakte ik geïnteresseerd in de geschiedenis van het damspel nadat ik het boek van Wendel Kruijswijk (1966) had aangeschaft. Kruijswijk vertelde geen nieuws: hij werkte de ideeën uit van de Engelse schaak- en bordspelhistoricus Harold Murray (1952). Murray’s visie op de verhouding tussen schaken en dammen noem ik het oude verhaal.

Het oude verhaal
 “Het schaakspel is in deze tijd een belangrijk en populair bordspel”, constateerde Murray (1915) in zijn tijd, “het damspel stelt weinig voor”. Hij trok dit zonder enig onderzoek door naar het verleden: het is altijd zo geweest. “En kijk eens”, zei hij, wederom zonder enig onderzoek, “wat dammers allemaal van schakers leenden. Zij spelen op het schaakbord, de dam in hun spel is een kopie van de schaakkoningin en zij kopieerden de promotie uit het schaakspel”.
De bewijzen voor zijn stelling vond Murray in de taal. “De huidige namen voor het damspel op het Europese continent gaan terug op het Frans. In het Frans heet het damspel jeu de dames. Dames is het meervoud van dame, de Franse naam voor de schaakkoningin”. Zijn conclusie: “De letterlijk betekenis van jeu de dames is spel met schaakkoninginnen”.
Deze twee aannames (het dominante, populaire schaakspel tegenover het bescheiden damspel en de naamgeving van het damspel) leverde Murray een mooi verhaal op: het damspel komt voort uit het schaakspel.

Schaakbord02

alquerquebord    OUD
>>>>>>>>>>>>>>>

 

Het nieuwe verhaal (1)
Een paar Nederlandse dammers met wie ik in de jaren ‘70 de interesse in de darmgeschiedenis deelde, waren net als Kruijswijk onder de indruk van Murray’s etymologische verklaringen. Ik oorspronkelijk ook, maar dat veranderde toen ik in de zomer van 1975 begon aan wat een bijna oneindige queeste worden zou: Murray’s etymologie narekenen. Ik was bezig met een studie Nederlandse taal- en letterkunde die me met onderbrekingen elf jaar kostte ‒met een vrouw en twee dochters moet (moest?) een man voor een woning en een inkomen zorgen‒, en wie mijn docent ook was, hij of zij waarschuwde voor een te gemakkelijke etymologische verklaring, zo’n verklaring vergde studie. Met hun aanwijzingen en voorbeelden leerde ik het etymologische handwerk.
In 1977 was ik er zeker van: Murray sloeg de etymologische plank volkomen mis. In 1983 klopte ik aan bij een hoogleraar taalkunde aan de Universiteit van Leiden: of ik bij hem promotieonderzoek kon doen. Hij nam me mee naar de afdeling van de bibliotheek waar de etymologische woordenboeken stonden. Nederlands, Portugees, Duits, Frans, Spaans… na elk woordenboek keek mijn gids sceptischer: ze gaven Murray gelijk. Twee Italiaanse etymologen redden me: het etymon van de spelnaam dama kon niet de naam van de schaakkoningin wezen.
Hij bestudeerde de plafondplaten, enige seconden, een halve minuut. Ik wachtte. “Laat maar wat zien”, zei de man die mijn promotor zou worden. “Ik geef je een half jaar”. Hij voegde eraan toe: “Je komt er natuurlijk niet met de uitleg waarom de oude etymologie niet klopt. Je moet met een nieuwe etymologie komen”. “Ik zal u niet teleurstellen”, antwoordde ik
Enfin: na nogmaals elf jaar ‒want een vrouw, twee dochters en huisdieren ‒ mocht ik me voor een hooggeleerd gezelschap verantwoorden. “De Franse spelnaam gaat jeu de dames gaat niet terug op het Franse woord dame = schaakkoningin maar op het woord dam = dijk, waterkering” (zie hoofdstuk 3), was de te verdedigen stelling.
Aardig waren de bijvangsten die ik deed. Een ervan was het Franse woord dame = schaakkoningin: dit bleek een nieuwe betekenis van een woord uit het jargon van Franse dammers te zijn (hoofdstuk 4).
Daarmee valt de helft van Murray’s “onderbouwing” weg. Hij had echter nog een tweede ijzer in het vuur: het dominante schaakspel versus het impopulaire damspel.

Het nieuwe verhaal (2)
 M’n proefschrift was een linguïstische studie. Er was dus geen ruimte voor de sociologische onderzoeksvraag of het schaakspel inderdaad het dominante bordspel is geweest dat het volgens Murray en andere schaakhistorici was. Toch leverde mijn taalkundig onderzoek genoeg munitie op om de stelling van dat dominante schaakspel op te blazen, zie hoofdstuk 24 en 26. Het manco van Murray c.s. is dat ze van de daken schreeuwden dat het schaakspel altijd immens populair is geweest maar geen onderzoek deden. Hoe zeg ik het netjes?: ik begrijp dat niet.

Dambord oud

Schaakbord01

 

NIEUW
>>>>>>>>>>>>>

 

 


Schaakkoningin en dam
 “Kijk eens hoe opvallend”, zei Murray. “Oorspronkelijk had de schaakkoningin een kleine actieradius. In de 15e eeuw vergrootten schakers die actieradius”. Hij wees op het damspel. “Het is toch frappant dat het damspel eerst een dam had met precies dezelfde actieradius als de oude schaakkoningin en dat zich na de 15e eeuw een dam met een grotere actieradius ontwikkelde”. En hij concludeerde: “Dammers volgden ontwikkelingen in het schaakspel, dat staat wel vast”.
Mijn onderzoek wijst op een omgekeerde ontwikkeling. Ten eerste was niet schaken maar dammen het populaire bordspel. Ten tweede lijkt de lange dam de inspiratiebron te zijn geweest voor de 15e-eeuwse nieuwe schaakkoningin, zie hoofdstuk 5. Ten derde komt de naam voor die schaakkoningin uit het damspel, zie hoofdstuk 4. En ten vierde wijst onderzoek uit dat het damspel ouder kan zijn dan het schaakspel, zie hoofdstuk 27. Kan zijn: van de reconstructie van een verleden dat zover achter ons ligt mogen we nooit zeker zijn.

Nog een nieuw verhaal?
 Nu het damspel naar het laat aanzien ouder is dan het schaakspel, dient zich de vraag aan of het schaakspel de zo opmerkelijke regel van de promotie wellicht uit het damspel heeft overgenomen. Het is moeilijk te geloven dat een zo bijzondere spelregel spontaan op twee verschillende plaatsen ontstond.
Meerdere auteurs beschouwen het schaakspel als een amalgaam van elementen uit vroegere bordspelen. De Zwitser Ulrich Schädler [2004:136] stelt kritische vragen aan drie auteurs (de Fransman Jean-Lous Cazaux, de Duitser Gerhard Josten en de Canadees Myron Samsin) die deze stelling verdedigen. Ik breng hier een nieuw element in deze discussie in.
Of we sowieso kunnen discussiëren over een eventuele inbreng van het damspel hangt af van de cultuur waarin het schaakspel is ontstaan. Is dat India, zoals ik vaak lees, dan is er geen discussie, want van de aanwezigheid van het lijnendamspel in India tussen 1 en 500 n.C. is (mij) niets bekend. Maar is schaken inderdaad een Indische vinding? De bijdrage van Egbert Meissenburg [2003] brengt me aan het twijfelen. Wat zeker schijnt is dat het schaakspel in de 6e eeuw n.C. in Perzië (Iran) werd gespeeld. Dan komen we al dichter bij het verspreidingsgebied van het damspel in Europa: Westerveld [2015:344-9] vermeldt vondsten van borden voor lijnendammen in Turkije en Syrië.