Hoofdstuk 38

38. Schaken en dammen in de Nederlanden, 16e eeuw
 In de twee vorige hoofdstukken bepaalde ik de plaats van schaken en dammen in na-middeleeuws Duitsland (hoofdstuk 36) en na-middeleeuws Frankrijk (hoofdstuk 37). Mijn informatie uit Duitsland en Frankrijk haalde ik uit de taal. Duitsers zagen in een 64-veldenbord altijd een dambord, nooit een schaakbord. Fransen zagen in de speldoos, een meubelstuk voor meerdere bordspelen, vooral een dambord. En in Frankrijk was het schaakspel zo onbekend dat triktrakspelers hun spel eschecs konden noemen. Dat was weliswaar de naam voor het schaakspel, maar die gebruikte toch niemand, dus dat kon zonder bezwaar.
In drie hoofdstukken bepaal ik de plaats van die twee bordspelen in de Nederlanden, het huidige Nederland en Nederlandstalig België. Doordat er in Nederland veel onderzoek naar de geschiedenis van het damspel is gedaan, beschik ik over meer gedetailleerde informatie. Is het beeld dan hetzelfde als voor Duitsland en Frankrijk of verschilt het?

De positie van het damspel
 Er is weinig informatie die ons inzicht geeft in de sociale positie van het damspel in Nederland. Ik beschik over twee bronnen.
De eerste is een uitdrukking die voorkwam in een spreekwoordenboek dat werd gedrukt in 1550: “Hij kan poffen en blazen”. Dit zijn synoniemen, maar blazen was ook een merkwaardig gebruik in het damspel, zie daarvoor hoofdstuk 30 en hoofdstuk 31: wanneer een speler overzag dat hij moest slaan nam zijn tegenstander de schijf die faalde van het bord, ertegen blazend. Wanneer het damspel in de 16e eeuw spreekwoordelijk was, betekent dit dat alle leden van de gemeenschap het spel kenden.
Inclusief de elite. Net als overal in Europa stuurde de hogere en middenklasse zijn zonen (de dochters niet) naar de Latijnse school. De beheersing van het Latijn was in ook Nederland een voorwaarde om in het leven te slagen, dat betekende een religieuze opleiding of een universitaire studie volgen. In 1575 werd in Leiden de eerste Nederlandse universiteit opgericht, onder een Latijnse naam; de belangrijkste colleges werden gegeven in het Latijn.
Een veel gebruikte methode om de leerlingen op de Latijnse school Latijn bij te brengen werd in de 16e eeuw geschreven door de Fransman Mathurin Cordier, pedagoog bij uitstek: de “Colloquia”. Daarnaast schreef hij verscheidene boeken om de jeugd te onderrichten, zoals zijn “Miroir de la Jeunesse, pour la former a bonnes moeurs (…)” (Spiegel der jeugd, om deze goede zeden te leren). De rooms-katholieke kerk zal er weinig mee hebben opgehad, want Cordier was de beginselen van het protestantisme toegedaan. Hij gaf les in vele Franse steden. Een van zijn leerlingen was Jehan Cauvin, bij ons beter bekend als Johannes Calvijn, met wie hij bevriend raakte.
Cordier nam in zijn “Colloquia” duizenden Fransen zinnen op, met de Latijnse vertaling erachter. Zijn methode sloeg aan bij zijn collega’s uit andere landen. In zekere zin hadden zij het gemakkelijk: zij vertaalden de Franse zinnen in hun moedertaal, Cordiers Latijnse zinnen namen zij over. De “Colloquia” werd ook in het Nederlands vertaald. Daar vond de Nederlandse damhistoricus Rob Jansen de tweede bron. In een uitgave die verscheen in Antwerpen in 1552 onder de naam “De quotidani sermonis locutione cum Flandrica et Gallica interpretatione”, staat de zin “Laet ons dammen. Wij en hebben gheen damberdt”. Deze zin is dus vertaald uit het Frans, maar de betreffende Franse uitgave ken ik niet.

De positie van het schaakspel
 Er is bewijs dat het schaakspel in Nederland werd gespeeld, in elk geval in Zuid-Nederland. Dit schilderij is van de Vlaming Frans Pourbus de Oudere (1545-1581), die werkte in Brugge en Antwerpen. Mijn bron is Diepstraten 2001:31-2. De twee spelen om geld. De jongeman, aan de verliezende hand, heeft ten einde raad de hulp van een aap ingeroepen. Het dier zal hier wel staan voor ingebeelde deskundigheid.
Pourbus, Frans
Hoe zat het met Noord-Nederland? Een van Nederlands grootste zonen was Hugo de Groot. Een wonderkind, dat al op zijn achtste Latijnse gedichten schreef, op zijn 11e naar de Leidse universiteit ging en op zijn 16e in Orléans promoveerde op een juridisch onderwerp. Begin 17e eeuw, waarschijnlijk tussen 1602 en 1603, schreef hij een aantal epigrammen over huiselijke spelletjes onder de titel “Instrumentum domesticum”. Ze werden pas gepubliceerd in zijn “Poemata omnia”, Leiden 1645:305. Onder de spelletjes het ganzenbord; aardig om te noemen nu in 2019 in Amsterdam Adrian Seville’s boek verscheen onder de titel “The Cultural Legacy of the Royal Game of the Goose. 400 years of Printed Board Games”. De Groot vond vier bordspelen een vers waard: molenspel met 2×3 schijven, molenspel met 2×9 schijven, triktrak en dammen met 2×12 schijven.
Het schaakspel ontbreekt; voor De Groot was het kennelijk geen spelletje dat in de huiskamer werd gespeeld. Mogen we hieruit opmaken dat de Noord-Nederlander slecht bekend was met het schaakspel?
Dezelfde conclusie zouden we kunnen trekken uit drie 16e-eeuwse inventarisaties waar de notaris of zijn klerk een geruit bord inventariseert als dambord. In 1569 bij de weduwe van Dirixse, een Haarlemse koopman. Op een kasteel in Hoogstraten, eveneens in 1569. In 1599 bij Amsterdammer Jacques van Hanswijk. Gaat het hier om een 64-veldenbord? Dan herhaalt zich het patroon uit Duitsland, waar het 64-veldenbord werd geassocieerd met dammen en niet met schaken. We kunnen echter niet uitsluiten dat de notaris of zijn klerk een dambord registreerde omdat het 100 ruiten telde. Ik ga daar nader op in.

Noord-Nederland tweede helft 16e eeuw
 In zijn woordenboek van 1599 onderscheidde de Vlaming Cornelis Kiliaan twee damspelvariëteiten. De ene variëteit noemde hij tweelf-stecken, letterlijk “spelen met twaalf schijven”, de andere dammen, met als Latijnse vertaling ludere duodecim scrupis, eveneens letterlijk “spelen met twaalf schijven”. En dammen met twaalf schijven doe je op het 64-veldenbord.
Twee namen voor het damspel vinden we altijd daar waar dammers twee variëteiten naast elkaar spelen. Kenden de Nederlanders dus twee variëteiten op het 64-veldenbord? Vermoedelijk niet. In de 17e eeuw maken notarissen namelijk onderscheid tussen een schaakbord en een dambord, en dat verschil baseren zij op het aantal ruiten: het schaakbord 64 ruiten, het dambord 100 ruiten. In latere woordenboeken, bijvoorbeeld het woordenboek van Jean Waesberghe uit 1618, wordt dammen nergens meer een spel met twaalf stukken genoemd.
Waarschijnlijk ging het in Nederland om twee variëteiten met dezelfde regels, de oude gespeeld op het 64-veldenbord, de nieuwe op het 100-ruitenbord. De oorsprong van het 100-ruitenbord lijkt te liggen in de regio Amsterdam, tweede helft 16e eeuw. Kennelijk kende Kiliaan, die woonde in de plaats Duffel in de provincie Antwerpen, wel de namen voor het oude spel: twaalfstukken, en voor het nieuwe spel: dammen, maar mogelijk had het tot 10×10 ruiten vergrote dambord Zuid-Nederland in de jaren negentig van de 16e eeuw nog niet bereikt. Dat is plausibel gezien de oorlog die de Nederlanden tussen 1568 en 1648 met Spanje voerden. De handelsstad Antwerpen was een der rijkste steden van de Nederlanden. Aan de bloei kwam een eind toen Spaanse troepen ‒vaak huurlingen van allerlei nationaliteiten‒ na een beleg van ruim een jaar in 1585 de stad innamen. Het leidde tot een braindrain van vooraanstaande Vlamingen, wetenschappers, kunstenaars en fabrikanten naar de vrije steden in het noorden. Zij gaven het culturele leven en de economie van Amsterdam, Haarlem en Leiden een geweldige impuls. Antwerpen daarentegen raakte in de versukkeling; pas in de 20e eeuw begon de stad zich voorzichtig te herstellen.
De inname van Antwerpen bemoeilijkte het contact met het noorden, en het is goed voorstelbaar dat Kiliaan eind 16e eeuw nog niet met een 100-ruitenbord had kennis gemaakt. Deze verklaring is een aanname, maar ik heb geen betere.
Intussen krijgen we in de 16e eeuw geen goed beeld van de positie van het schaakspel. De 17e eeuw biedt meer duidelijkheid.
Ik sluit dit hoofdstuk af met een schilderij van de Vlaming Karel van Mander (1548-1606), die omstreeks 1603 William Shakespeare (rechts) en Ben Jonson achter het schaakbord afbeeldde (te vinden op https://shakespearestaging.berkeley.edu/). De afdruk bij zowel Faber [1988:43] als Diepstraten [2001:33] is kennelijk gebaseerd op een fotokopie van matige kwaliteit.
ben-jonson-and-shakespeare-playing-chess-by-karel-van-mander-2402 Het is me een raadsel hoe Van Mander ertoe kwam twee Engelse grootheden op doek vast te leggen, want hij is nooit in Engeland geweest. En waarom achter het schaakbord? De literatuur die er ongetwijfeld over dit schilderij bestaat, ken ik niet. Van Mander is geboren in West-Vlaanderen, bracht drie jaren (1574-1577) in Rome door, reisde tussendoor naar Wenen en keerde in 1578 terug naar zijn geboorteland. Hij woonde daar enige jaren in zijn geboortedorp Meulebeke, daarna in Kortrijk en Brugge. In 1583 vluchtte hij om religieuze redenen en vanwege een pestepidemie naar Haarlem in Noord-Nederland.