Hoofdstuk 30

30. Middeleeuwse dammen: vrij slaan en blazen
 We noemen Boter-kaas-en-eieren een spel maar eigenlijk is het dat niet. David Parlett [2018:113]: “Wie begint heeft voordeel maar de ander kan altijd een gelijkspel forceren”. Hij noemt drie Amerikaanse wiskundigen die dit in 1982 aantoonden.
Zonder promotie is dammen een vergelijkbaar spel: als je het een beetje kent kun je niet verliezen, zo bleek uit de programma’s die de Zweed Mats Winther op mijn verzoek schreef [Stoep 2007:138-40], zie hoofdstuk 10. De computer bevestigt wat ik vond langs de weg van de linguïstiek: Spanje profiteerde in de middeleeuwen vele eeuwen lang van de op een hoog peil staande Arabische beschaving. De Arabieren brachten Spanje de lange dam, een dam die we terugvinden we in de 16e-eeuwse Spaanse damboeken.
Winthers werk maakte het mogelijk een tweede vraag te beantwoorden: damde de middeleeuwer op het lijnenbord zonder of met volledige slagplicht? De computer, die tig partijen tegen zichzelf speelde, kwam al snel met een antwoord: de partij die het spel opent verliest altijd materiaal. Het lijnenbord blijkt dus alleen geschikt voor dammen met vrij slaan.
Of het lijnendambord geschikt is voor dammen met de blaasregel, dus gedeeltelijke slagplicht, weet ik niet. In elk geval werd blazen ingevoerd in de 15e eeuw (hoofdstuk 29), toen dammers hun spel speelden op het geruite 64-veldenbord.
Tot zover zeg ik niks nieuws, ik herhaal informatie uit hoofdstuk 10 en 29.
Blz. 54 1492

Damspel in 1492 [Depaulis & Simonata 2007]

De bordspelliteratuur
 Echter, mijn reconstructie van het middeleeuwse damspel lijkt niet te stroken met de reconstructie van bordspelhistorici. Zeker weet ik het niet, want ik vind het meest recente naslagwerk, dat van David Parlett, onduidelijk wat het slaan betreft. Parlett [2018:244] schrijft eerst: “Alfonso vermeldt niet of slaan verplicht is of niet”, maar schijnt daarna in te stemmen met de reconstructie van Robert Bell [1969 I:48] waarin wordt geblazen.
Alfonso, ik zeg het nog maar eens, is het manuscript waarin in opdracht van de Spaanse koning Alfonso de klerken aan zijn hof de bordspelen vastlegden die eind 13e eeuw in Sevilla en omgeving werden gespeeld. Ik zoom in op de passage waarin de klerk het spel beschreef dat ik lijnendammen noem en hij alquerque de doze, letterlijk “spel met twaalf schijven”.

De 13e-eeuwse klerk
 Het schrijven van spelregels is een hels karwei, zoals ik ervoer toen ik meeschreef aan de brochure “ABC van het dammen”, in 1973 uitgebracht in Utrecht met G. Bakker als auteur. Ik heb bijvoorbeeld dagenlang gebroed op de definitie van het begrip meerslag. Daarom val ik de arme klerk die de taak kreeg alquerque de doze te beschrijven, niet te hard. Maar ja, hij bakte er weinig van.
De man zegt niets over de promotie en mompelt iets onduidelijks over slagplicht. Ik citeer: “De speler die het spel opent (ik kies wit) heeft nadeel, aangezien hij verplicht is een stuk naar het onbezette punt te schuiven”. Maar wit heeft natuurlijk geen nadeel vanwege zijn eerste zet maar vanwege wat volgt.
alquerquebord
Wit heeft vier mogelijke openingszetten. Zoals u ziet, zijn er twee uitgesloten: ze kosten een schijf terwijl zwart meteen naar de damrij slaat.
Twee openingszetten zijn speelbaar, en op deze twee zetten moet zwart slaan. Dus schreef de klerk: “De andere speler slaat door zijn stuk op de plek te zetten vanwaar het vijandelijke stuk vertrok”. Dit is de vertaling van zowel Westerveld in zijn Nederlandse [1997:105] en zijn Engelse tekst [2016:183)] als van Schädler & Calvo [2009:291]. De klerk gebruikt voor het begrip slaan het woord lieua, naar ik aanneem een vorm van het huidige werkwoord levara, ‘optillen’.
Naar mijn mening gaf de klerk geen algemene regel maar noteerde hij wat er in de praktijk in de opening gebeurt. Deze interpretatie impliceert dat na de openingsslag slaan juist vrij is. En dit past binnen de evolutie van de slagregel in het damspel en is conform het resultaat van spelexperimenten met de computer.