Hoofdstuk 17

17. Draaischijf: de middeleeuwse literatuur
 Vanaf hoofdstuk 13 luidde mijn onderzoeksvraag: “Volgens de algemene overtuiging is het schaakspel het populairste bordspel van de middeleeuwen geweest. Is deze claim juist of onjuist?”
In hoofdstuk 13 en hoofdstuk 14 bracht ik (vooral Franse) inventarisaties van middeleeuwse spelborden bijeen. Resultaat: de betere kringen, waaronder de adel, kochten materiaal om te schaken en te triktrakken, nergens blijkt voorkeur voor het schaakspel. Overigens waren de spelborden ook geschikt om te dammen.
In hoofdstuk 15 analyseerde ik de Engelse bordspelnaam to play at the checker. Resultaat: dammen was in 14e-eeuws Engeland een belangrijk spel, schaken allerminst.
In hoofdstuk 16 analyseerde ik de Franse bordspelnaam jeu des eschecs. Resultaat: in 16e-eeuws Frankrijk werd er slechts geschaakt door kleine groepjes, voor het grote publiek was het schaakspel onzichtbaar. In de periode 1000-1500 is dit zeer waarschijnlijk niet anders geweest.
Mijn onderzoeksuitkomsten brengen me in een lastig parket, omdat ze diametraal staan tegenover wat in onze tijd als historische werkelijkheid geldt: het schaakspel is het belangrijkste middeleeuwse bordspel geweest. Het laat me geen keus: ik moet aantonen dat dit denkbeeld van geen kant klopt. ‘En wanneer je dit niet lukt?’, zult u vragen. Daar wil ik nu liever niet aan denken.
Het denkbeeld over dat geweldig populaire schaakspel is opgekomen in de tweede helft der 19e eeuw. Door een vooraanstaande schaakhistoricus als Harold Murray werd het omarmd en uitgevent. Mijn taak in de afgelopen jaren was de bron of bronnen achterhalen waarover onderzoekers tussen 1850 en 1900 beschikten. Welnu, er blijkt één bron te zijn: de middeleeuwse literatuur, dat wil zeggen verwijzingen naar het schaakspel in verzonnen verhalen.
Op de bul die de Leidse universiteit me uitreikte toen ik afzwaaide als student, stond nadrukkelijk dat ik me had bekwaamd in de Nederlandse taalkunde én in de Nederlandse letterkunde. Door de literatuurcolleges weet ik een en ander van de middeleeuwse literatuur. Ook van de Franse literatuur, want een groot deel van de Nederlandse middeleeuwse verhalen zijn bewerkingen van Franse voorbeelden.
Het schaakspel nu kwam voor in twee middeleeuwse genres. Ten eerste de allegorie met haar waarschuwende vinger dat de mens niet meer is dan een stuk op het schaakbord dat na de partij in een donkere zak wordt gestopt. Ten tweede de ridderroman met zijn schakende ridders en schakende liefdeskoppels.
Voor het eerste genre was geen plaats meer in de 16e-eeuwse maatschappij, een samenleving die niet langer de nadruk legde op de waarde van het leven dat volgde op het aardse bestaan maar op de waarde van het leven in het hier en nu. De stof van de ridderroman leefde wel voort: in de zogenaamde volksboeken ‒hun bloeitijd ligt tussen 1474 en 1540‒, gedrukte boeken die niet langer waren geschreven in rijmvorm maar in proza, doch het is een genre waarin het schaakspel ontbreekt.
Hiermee ben ik een stap verder: het schaakspel raakte na de middeleeuwen uit beeld doordat de twee literaire genres verdwenen waarin het schaakspel een rol speelde. En dat leidt tot deze vraag: schiep de middeleeuwse literatuur wellicht een beeld van het schaakspel dat niet strookte met de werkelijkheid?
Ik mag het schaakhistorici uit het verleden, zeg de periode tot en met Harold Murray en zijn “A history of chess” van 1916, niet kwalijk nemen dat zij ervan uitgingen dat de literatuur de werkelijkheid weergaf. Het was nog te vroeg voor de vraag naar de relatie tussen literatuur en werkelijkheid, die werd pas gesteld in de tweede helft der 20e eeuw.
Literatuuronderzoekers legden toen een probleem voor: “Een socioloog of historicus wil zich in 1960 een beeld vormen van het leven en denken in Amsterdam rond de eeuwwisseling. Mag hij zich baseren op romans die tussen 1890 en 1910 zijn verschenen?”
De uitkomst van jarenlange discussies zal niemand verrassen: de ene roman wel en de andere roman niet. De “Hollandse” romans van de Nederlandse auteur Louis Couperus schetsen een betrouwbaar beeld van het leven dat vertegenwoordigers van de Nederlandse betere stand rond 1900 leidden. De sociale romans van de Fransman Emile Zola uit de periode 1870-1890 geven een beeld van de Franse samenleving in deze tijd, vooral van het lot van minder bedeelden. Maatschappelijke wantoestanden ook bij de Engelsman Charles Dickens, scherp observator van zijn tijd.
In het vervolg ga ik nader in op de twee genoemde middeleeuwse literaire genres. Specialistische dus pittige stof. Centraal staat de vraag: mogen we deze twee genres gebruiken bij onze geschiedschrijving van het schaakspel of niet?
Middeleeuws schaken02
Een opmerking vooraf, wellicht overbodig: de illustrator van een handschrift paste zijn onderwerp aan aan het verhaal; we mogen middeleeuwse schaakafbeeldingen als hierboven en hieronder dus niet opvatten als een aparte, tweede, bron.
Middeleeuws schaken03