66. Schaken in Duitsland sinds de 18e eeuw
Historische feiten
De honderden historische schaakfeiten en schaakfeitjes die de Engelse schaker Harold Murray in zijn standaardwerk over de geschiedenis van het schaakspel (1913) verzamelde, wiegden me rond 1970 om zo te zeggen in slaap. ‘Wat een geweldig spel, schaken’, dacht ik, ‘ongeëvenaard’. Mijn grootvader, een clubschaker, hield me vanaf de dag dat ik honderd woorden sprak en duizend woorden begreep keer op keer hetzelfde voor. “Het schaakspel is een spel voor koningen. De mensheid heeft geen dieper en rijker spel voortgebracht”. Ik geloofde Murray en grootvader grif.
“Het damspel komt voort uit het schaakspel”, was Murray’s met zekerheid gebrachte boodschap in een tweede standaardwerk (1952). Opnieuw internaliseerde ik zijn boodschap, hij was de grote expert. Tot ik in de zomervakantie van 1975 op een paar zonnige dagen naar de Rotterdamse bibliotheek fietste en ontdekte dat Murray’s zekerheid toch niet zo zeker was.
In 1985 bracht een andere Engelse schaker een nieuw standaardwerk over de geschiedenis van het schaakspel uit; zijn naam is Richard Eales. Hij hanteerde dezelfde methode als zijn voorganger door de lezer met honderden historische schaakfeiten en schaakfeitjes te bombarderen. Zie hoofdstuk 63 voor de overvloed aan Engels materiaal uit de 19e eeuw.
Murray was een bevlogen schaker, die de lezer door een bombardement aan historische feiten wilde overtuigen van de grootheid van het schaakspel in de Europese cultuur. Eales formuleert zijn doel in de openingszin van zijn Voorwoord: “Een geschiedenis van het schaakspel is allereerst een geschiedenis van schakers” [Eales 1985:9]. Een serie feiten dus.
Eales geeft enkele feitjes over 19e-eeuws Duitsland. Ik vul zijn feitenrelaas aan.
Schaakverenigingen
Hoofdstuk 62 en hoofdstuk 63 beschreven de opkomst van het schaakspel in Frankrijk, Nederland en Engeland. Nederland en Engeland lijken dezelfde ontwikkeling te hebben doorgemaakt: heren van de hogere middenklasse van middelbare leeftijd zochten een smoes om bijeen te komen en vonden dat in het schaakspel. Wat zij ‒en wij‒ een schaakvereniging noemden was in werkelijkheid een sociëteit, een sociale gebeurtenis. In Parijs, Londen ontmoetten leden van de stedelijke elite elkaar in het eerste kwart van de 19e eeuw in exclusieve clubs. Sociaal netwerken stond bovenaan maar er werd ook geschaakt. Ditzelfde gebeurde in Amsterdam ‒vdS. Een sterke schaker die niet bij de elite hoorde kreeg er geen toegang [Eales 1985:127-8]. Mogen we deze bevinding naar Duitsland doortrekken?
De Duitse Wikipedia noemt de tien oudste Duitse schaakclubs. Schaakclubs of sociale bijeenkomsten met het schaakspel als smoes?
Berliner Schachgesellschaft 1827
Hamburger SK 1834
Münchener SC 1836
Elberfelder Schachgesellschaft 1851
Krefelder Schachklub Turm 1851
Karlsruher Schachfreunde 1853
Düsseldorfer Schachverein 1854
Schachclub Ansbach 1855
Aachener Schachverein 1856
SK Giessen 1858.

Karl Aegerter (1888-1969)
De eerste schaakleerboeken
Lang vóór de stichting van deze clubs (sociëteiten) verschenen er leerboeken, vertalingen van de Franse boeken van Philidor [zie ook Eales 1985:120] en Stamma, door de Nederlandse bordspelonderzoeker Jan de Ruiter gevonden op internet:
François-André Philidor „Die Kunst im Schachspiel ein Meister zu werden“ 1754, 1764, 1771
Philip Stamma “Schachspiel-Geheimnisse: nebst einigen Regeln“ … 1771, 1806
François Danican Philidor “Praktische Anweisung zum Schachspiel“ 1779, 1797, 1810, 1833, 1840
François Danican Philidor “Das schachspiel, oder, Sammlung interessanter spiele desselben“… 1834.
Eales [1985:119-20]: regionaal speelden schakers in Duitsland volgens verschillende regels, maar onder invloed van Philidor ontstond er langzamerhand uniformiteit.
Philip Stamma “Beyträge zum Unterricht im Schachspiel“ 1804
Ein geborener Alepper aus Syrien “Versuch über das Schachspiel: worin einige Regeln, um es gut zu spielen …“ 1812.
Is het volgende boek een soort roofdruk of maakt het waar wat het belooft, een verbeterde versie van Stamma door een Duitse schaker?: N.N. “Das Schach des Herrn Gioachino Greco Calabrois und die Schachspiel-Geheimnisse des Arabers Philipp Stamma: verbessert, und nach einer ganz neuen Methode zur Erleichterung der Spielenden umgearbeitet“ 1784.
Er bestond dus in Duitsland belangstelling voor het schaakspel, maar het is niet duidelijk op welke schaal ‒vdS.
Leerboeken van Duitse schakers tot en met 1840
Johann Christoph Ludwig Hellwig “Versuch eines aufs Schachspiel gebauten taktischen Spiels…“. Deel 1 1780, deel 2 1782
Johann Allgaier “Neue theoretisch-praktische Anweisung zum Schachspiel“. Deel 1 1795, deel 2 1796; 1802
J. K. Kindermann “Vollständige Anweisung: das Schachspiel …“ 1795, 1801
Adolph Julius Theodor Fielding (= pseudoniem van J.G. Flittner “Neueste Art das Schachspiel gründlich zu erlernen“ 1797, 1804, 1818, 1819, 1820
Christian Gottfried Flittner “Neueste Art das Schachspiel gründlich zu erlernen“ 1812, 1819
Johann Friedrich Wilhelm Koch “Codex der Schachspielkunst“ Deel 2 1813
Joseph Karl Kindermann “Vollständige Anweisung, das Schachspiel durch einen …“ 1819
Joseph von Ranson “Anweisung zum Schachspiel, nebst Critik desselben …“ 1820
William Stopford Kenny “Der Schachgrammatik: oder, praktische Anleitung zum Schachspiel“ … 1821
Domenico Lorenzo Ponziani ”Das Schachspiel” 1822
V. Mosler “Das Schachspiel: Mit 7 Kupfertafeln“ 1822
Johann Horny “Anweisung das Schachspiel gründlich zu erlernen“ 1824, 1828
Otto von Deppen “Schach-Politik, oder Grundzüge zu der Kunst, seinen Gegner im Schach bald zu …“ 1826
Friedrich August Wilhelm Netto “Shatranj oder Das Schachpiel unter zweien … 1827
G. Crailsheimer “Neue praktische Anweisung zum Schachspiel“ 1829
Karl Friedrich Schmidt „Hundert und Zwanzig Schach-räthsel…“ (combinaties) 1829
Giambattista Lolli “Beiträge zum Schachspiel“ 1833
S. Waidder “Das Schachspiel in seinem ganzen Umfange“ 1837, deel 1 en 2
Christian Friedrich Gottlieb Thon “Der Meister im Schachspiel…“ 1840
Friedrich Theodor Winterfeld “Practische Anweisung sich im Schachspiel…“ 1840.
Enkele andere publicaties
Al vroeg verschenen er twee methodes om het schaakspel met z’n vieren te spelen:
K.E.G. “Theoretisch-praktischer Unterricht im Schachspiel unter Vieren …“ 1784
C. Senfft von Pilsach “Das Belagerungs-schach: mit einer Anweisung zum Schach unter drei und vier Spielern“ 1820.
Verder verschenen er schaakgedichten, onder meer een vertaling van het 16e-eeuwse Latijnse gedicht van de Italiaan Marco Girolamo Vida, en prozawerken over het schaakspel.

Karl Andree
Kopen zonder spelen?
In Frankrijk en Engeland kochten schakers het boek van Philidor, maar zonder de bedoeling het schaakspel te leren spelen; pas eind 19e eeuw ontstonden er in Engeland, en ook in Nederland, schaakverenigingen zoals onze tijd die kent. Hetzelfde gebeurde in Duitsland: Duitse schakers kochten leerboeken lang voordat er schaakclubs werden opgericht.
Het verschijnsel voert tot een vraag: hadden deze schakers een schaakbord in huis? In Nederland splitste zich al minstens een halve eeuw geleden het historisch materialisme zich van de geschiedwetenschap af, dat wil zeggen onderzoek naar huisraad, inclusief het spelbord, dus inclusief schaakborden. In de Nederlandse context is dit mogelijk omdat het schaakbord met z’n 64 velden verschilt van het dambord met z’n 100 velden. In Frankrijk, Engeland en Duitsland ontbreekt dergelijk onderzoek. Maar zelfs indien dit van de grond komt, is er het probleem dat dammers en schakers spelen op hetzelfde 64-veldenbord.
Duitsland volgde hetzelfde patroon als Engeland, constateert Eales: schakers richtten clubs op. Het spel werd maatschappelijk breder bekend. In 1887 waren er zoveel clubs dat het mogelijk werd een schaakbond op te richten. Intussen werden er ook veel nationale toernooien georganiseerd. In de tweede helft van de 19e eeuw zien we ook internationale toernooien, het eerste in 1851 [Eales 1985:142]. Het klinkt mooi, internationaal toernooi, maar wie wenste deel te nemen moest zelf geld meebrengen [Eales 1985:145].
In het voorbijgaan merkt Eales [1985:119-20] op: regionaal speelden schakers in Duitsland volgens verschillende regels, maar onder invloed van Philidor ontstond er langzamerhand uniformiteit.
Schaken was net als in Engeland een spel voor en van de middenklasse. Begin 20e eeuw waren er voor het eerst pogingen om arbeiders voor het schaakspel te interesseren. Met enig succes: in 1912 begonnen zestien arbeidersclubs met de publicatie van de “Arbeiter-Schachzeitung” [Eales 1985:149-50].
Door deze iniatieven kon Duitsland uitgroeien tot Europa’s derde schaaknatie na Engeland en Frankrijk, constateert Eales [1985:136].
De Duitse schaakhistoricus Joachim Petzold had een meer bevlogen kijk op het schaakspel. Hij ziet het schaakspel als een zeer belangrijke factor in de Europese cultuur en is daarmee een geestverwant van Murray. “Meer dan eens reageerde het schaakspel als een seismograaf op maatschappelijke veranderingen”, laat hij ons bijvoorbeeld weten [Petzold 1986:151]. Zo beschouwt hij de invoering van de nieuwe schaakkoningin aan het eind van de 15e eeuw als een reactie op de grote maatschappelijke veranderingen die reuzen als Martin Luther, Desiderius Erasmus en Christoffel Columbus in gang brachten [Petzold 1986:152]. Nuchtere linguïstische tegenwerping: die nieuwe schaakkoningin is een reactie op de lange dam in het Spaanse damspel en de naam voor dit stuk werd ontleend aan het jargon van Franse dammers, zie hoofdstuk 4.
De Nederlander Hans Scholten beschreef gedetailleerd de opgang van het schaakspel in de 19e eeuw in Nederland en Richard Eales dito in Engeland. Een dergelijke studie ontbreekt voor Duitsland. Petzold beperkt zich tot een summier overzicht van het ontstaan van het georganiseerde schaken en de nationale en internationale wedstrijden die er het gevolg van waren [Petzold 1986: 209-14].
De beeldende kunst en het schaakspel in Duitsland
In 2021 verscheen de studie “Chess, Draughts, Morris & Tables. Position in Past & Present”, onder verantwoordelijkheid van Arie van der Stoep, Jan de Ruiter & Wim van Mourik. 369 bladzijden, verdikt half glanzend papier, hard omslag, 375 full colour reproducties van onder meer schilderijen en tekeningen van Duitse kunstenaars met afbeeldingen van het schaakspel en drie andere bordspelen. Dit boek is een aanvulling op de beschrijving van het schaakspel hierboven.
