Hoofdstuk 53

53. Schaken, een intellectueel spel
 Om het schaakspel zweeft een imago van complexiteit, van een hoge moeilijkheidsgraad. Om het te doorgronden moet je intellectuele eigenschappen bezitten, is de gedachte. Een zeer interessante vraag is, hoe het schaakspel aan dit imago is gekomen.

Een sociologische verklaring
 De Engelse schaakhistoricus Richard Eales heeft de vraag langs sociologische weg beantwoord. Doordat schakers als André Philidor leermethodes publiceerden werd schaken een spel dat te leren was, aldus Eales. Vanwege dit aspect raakten intellectuelen in het spel geïnteresseerd, denk aan de periode 1650-1800. De buitenstaander ziet intellectuelen schaken, en in hun hoofd zet zich een gedachte vast: ‘Om het schaakspel goed te spelen moet je intellectuele capaciteiten bezitten’.
Ik ben het met Eales eens dat het zo gegaan is. De gedachte kan zich echter niet in de tijd hebben ontwikkeld die de Engelsman aanwijst, om de eenvoudige reden dat in deze tijd intellectuelen niet alleen schaakten maar ook damden. De bedoelde ontwikkeling ligt mijns inziens dichterbij bij onze tijd; ik kom erop terug.
Eales heeft die dammende intellectuelen gemist. Waarom? Een jaar na de Franse uitgave van 1749 verscheen er een Engelse vertaling. Volledige titel: “Chess analysed; or Instructions By which a perfect Knowledge of this Noble Game May in a short time be acquir’d”. London: Printed for J. Nourse, and P. Vaillant, in the Strand. M.DCC.L. Eales citeert Philidor via de Engelse uitgave, zie noot 29 op blz. 121 van Eales’ boek. Welnu, op blz. VII en VIII van Philidor’s boek staat diens klacht over de funeste invloed die het damspel in Philidor’s omgeving uitoefent op de wijze waarop schakers hun partij opzetten. Die intellectuele schakers waren dus ook intellectuele dammers. Bovendien had Philidor tijdens zijn verblijf in Nederland bewezen een sterke dammer te zijn. Waarom hebben Philidor’s klacht en diens aanwijsbare speelsterkte in het damspel Eales niet aan het denken gezet?
In voorbije eeuwen damde de gehele samenleving, van hoog tot laag. Dat blijkt uit mijn historisch onderzoek alsmede uit de reproducties in Mourik & Stoep 2019. We mogen dus aannemen dat Philidor heeft leren dammen in huiselijke kring, zoals indertijd gebruikelijk was. Hij heeft zijn speelkracht in het schaken bijgeslepen in partijen met leden van het koninklijk orkest (hoofdstuk 43), later in het koffiehuis.
Phil
Schaken in het koffiehuis
 In de 18e eeuw bezocht de beau monde het koffiehuis, onder meer om te dammen. In de late 17e eeuw gingen schakers die voorheen in beslotenheid hun spel plachten te spelen, hun spel beoefenen in de openbaarheid van het koffiehuis. Het was in het koffiehuis waar de intellectuele elite van Parijs het schaakspel ontdekte als een spel dat het spelen waard was. Schaken werd een interessant tijdverdrijf, waar net als dammen de hersens en niet de dobbelsteen winst of verlies bepaalde. Dat moet de Franse intellectueel hebben aangesproken. In hoofdstuk 52 noemde ik namen van schakende intellectuelen, straks enkele namen van dammende intellectuelen.

De groei van schaken naar een intellectuele sport
 Vanwege de instructieve schaaklessen in het boek dat François-André Philidor in 1749 publiceerde, ziet Richard Eales hem als de vertegenwoordiger van een nieuwe benadering van het schaakspel.
Die nieuwe benadering zette volgens Eales een halve eeuw eerder in: “Omstreeks 1700 kreeg het schaakspel een nieuw gezicht doordat het onderwerp van studie werd. Men ging het beter spelen, waardoor het spel aantrekkelijk werd: het vereiste intellectuele vaardigheden en kreeg daarnaast meer trekken van een sport. Niet langer stond de symbolische waarde van het schaakspel centraal” [1985:95].
Bij de laatste zin een kanttekening. Eales ziet de symboliek als het belangrijkste kenmerk van het middeleeuwse schaakspel [1985:60-8]; de titel van zijn tweede hoofdstuk luidt: “Het symbolische spel van de middeleeuwen”. Voor de speler van de 18e eeuw stond het spel centraal, niet zoals in de middeleeuwen de symboliek. Echter, het was in de middeleeuwen de kunstenaar, de romanschrijver, die het schaakspel een symbolische waarde toekende, niet de speler. Een speler ziet een bord en speelstukken, de symbolische waarde die kunstzinnige tijdgenoten eraan toekennen gaat aan hem voorbij.
Een paar pagina’s later licht Eales z’n opmerking over schaken als sport toe: “De veranderingen die in de 18e eeuw plaatsvonden waren belangrijk, omdat ze de weg bereidden naar de positie van het schaakspel als een belangrijke intellectuele sport” [1985:101].

Dammende intellectuelen
 Ik noem namen van een paar dammende Franse intellectuelen.
André Philidor natuurlijk. Toen hij in december 1745 in Nederland vast kwam te zitten, bleef hij in leven doordat hij kon dammen (hoofdstuk 44).
Denis Diderot (portret hieronder) bezocht zowel Café de la Régence, verzamelpunt van schakers, als Café Manoury, verzamelpunt van dammers [Stoep 2007:95].
Diderot De eigenaar van het laatstgenoemde koffiehuis, Pierre Manoury, schreef twee damboeken, in 1770 en 1787. Zijn tweede boek bevat het verslag van een speurtocht naar het ontstaan van de damspelvariëteit die de Parijzenaars speelden, Philidor en Diderot incluis. Dit deel werd geschreven door een van Frankrijks grootste geesten, die benieuwd was naar de wortels van het spel dat hij zo veel en graag speelde: Charles-Marie de la Condamine (1701-1774), ontdekkingsreiziger, geograaf, mathematicus en dammer. In 1745 keerde hij terug van een reis naar de Amazonerivier, zijn naam gonsde door Parijs. Philidor kende dus zijn naam. Of de la Condamine en Philidor elkaar persoonlijk hebben gekend, weet ik niet. Vermoedelijk wel, de intellectuele wereld van Parijs was klein. Condamine was bevriend met Voltaire ‒Voltaire kende Philidor‒, werkte mee aan de “Encyclopédie” en werd opgenomen in de gelederen van de onsterfelijken, want dat waren de leden van de Académie française: hun naam leefde voort.
Stanislas
 Voltaire verbleef aan het hof van Stanislas Leszczyṅski (portret boven), schreef ik in het vorige hoofdstuk. Stanislas was ex-koning van Polen die zijn vaderland was ontvlucht. Zijn dochter was getrouwd met de Franse koning. Deze moest zijn schoonvader een fatsoenlijk onderkomen bezorgen, een kasteel in de buurt van Nancy. Anders dan de leden van het Franse koningshuis had Stanislas een intellectuele aanleg. Hij ging graag met geestverwanten om, en zijn hof werd daardoor een verzamelpunt van intellectuelen. De la Condamine maakte er deel van uit. In een volgend hoofdstuk meer over hem.
De Fransman Augustin Cabanès (1862-1928) schreef over de laatste avond van Pierre-Augustin Caron de Beaumarchais (1732-1799). Bron: Georges Balédent, “Le Damier”, 1886 III:744-6. De Beaumarchais was een veelzijdig mens: zo was hij schrijver, wapenhandelaar en uitgever. Hij werd een Frans idool vanwege zijn avontuurlijke levenswandel. Cabanès was een gepromoveerde arts en schreef geschiedkundig werk. Dat moet een betrouwbare bron zijn, zou je zeggen, maar Cabanès genoot ook bekendheid omdat hij zulke mooie fantasieverhalen schreef.
En baseerde Cabanès zich niet op een eerdere bron? Het Franse schaaktijdschrift “La Stratégie” (1867-1940) had in de jaren 1872-1909 een damrubriek. In het nummer van 15 april 1874 schreef Charles Joliet (1832-1910), een veel publicerende journalist en literator, over de laatste levensavond van Beaumarchais. Hoe geloofwaardig is Joliet? Ik citeer een paar zinnen. “Beaumarchais was een hartstochtelijk liefhebber van het damspel. Op een avond, omgeven door vrienden en familie, zat hij weer te spelen toen precies tien uur Antoine binnentrad. Beaumarchais was geheel verdiept in zijn damspel. Antoine kuchte en zei: ‘Mijnheer, het is tien uur’. ‘Goed Antoine, goed, ik wil eerst deze partij uitspelen’ (…). De volgende ochtend vond men Beaumarchais dood in zijn bed…”.
Moivre Abraham de Moivre (portret boven) (1667-1754) was een Franse wiskundige en statisticus. Hij is bekend geworden door de stelling van De Moivre, de stelling van De Moivre-Laplace en vanwege zijn werk op het gebied van de waarschijnlijkheidsrekening. Toen de Rooms-katholieke meerderheid het met hun protestantse landgenoten gesloten vredesverdrag verbrak, raakt hij als hugenoot in moeilijkheden: hij zat van 1685 tot 1688 gevangen. Na zijn vrijlating week hij uit naar Londen. Daar raakte hij bevriend met grootheden als Isaac Newton, de astronoom Edmond Halley en James Stirling, een Schotse wiskundige. Engeland erkende zijn grootheid als wetenschapper door hem uit te nodigen toe te treden tot de Royal Society, de natuurkundige tegenhanger van de Académie Française.
Volgens “American Chess Magazine” van maart 1924:68 leed de Moivre ondanks zijn wetenschappelijke verdiensten armoe. Uit financiële nood was hij vaak te vinden in koffiehuis Slaughter, waar hij wat bijverdiende door om een inzet te schaken en te dammen. Daar trof hij Engelse intellectuelen; ook voor hen kende het damspel geen geheimen. Zoals dammen ook voor Nederlandse intellectuelen een bijna dagelijkse tijdpassering was: op het damboek van de Nederlander Ephraim van Emden tekenden veel leden van een Amsterdams genootschap voor kunsten en wetenschappen in [Bakker 1974, Bakker 1975].
Koffiehuis Slaughter in St. Martin’s Lane werd in 1692 gesticht door John Slaughter. Van 1700 tot 1770 kwamen hier in een besloten kamer schakers bijeen [Murray 1913:846].

Rousseau, dammer
 Jean-Jacques Rousseau verdient aparte aandacht. Waar deze zijn onvermogen op een behoorlijk niveau te leren schaken uitgebreid in zijn dagboek noteerde, noteerde hij voor zover mij bekend niets over zijn onvermogen op een behoorlijk niveau te leren dammen. Zijn landgenoot Pierre Manoury vertelt in zijn damboek van 1787 iets over de clientèle die zijn koffiehuis aandeed.
Welnu, Rousseau was een regelmatige bezoeker. Wat damde die man rampzalig slecht, aldus Manoury: hij mocht van elke sterke tegenstander met twee schijven meer beginnen en verloor dan nog! Uiteindelijk legde Rousseau zich erbij neer altijd een knoeier te zullen blijven en is hij met dammen gestopt [Stoep 2007:95-6].
Hoe moet ik dat gekoketteer van Rousseau ‒want dat is het volgens mij‒ opvatten? “Ondanks m’n grote gaven ben ik, Jean-Jacques, niet in staat het moeilijke schaakspel meester te worden”? Of: “Ondanks m’n grote gaven ben ik, Jean-Jacques, niet eens in staat een betrekkelijk eenvoudig spel als schaken meester te worden, terwijl allerlei minkukels het goed spelen”?