Hoofdstuk 52

52. Over intellectuelen
 Een intrigerende vraag: Hoe komt het schaakspel aan zijn imago van intellectueel spel? Ik moet het antwoord niet zoeken in inhoudelijke aspecten: schaken is een tweedimensionaal bordspel, dammen een rijker bordspel want driedimensionaal (hoofdstuk 48).

Uiterlijke aspecten
 Uiterlijke aspecten dan? Die spelen zeker een rol, hoeveel prachtige sets schaakstukken zijn er niet ontworpen? Het moet een esthetisch genoegen wezen daarmee een partij te spelen. Ik vraag me af, in hoeverre een reactie van de Nederlander Petrus Kersteman (“Vergeleken met schaken is dammen een kinderspel”, hoofdstuk 42) en de reacties van sommige 18e-eeuwse Franse schakers (“Alleen iemand met superieure vermogens kan schaken”, hoofdstuk 43) met dat esthetische samenhangt. Intellectuelen als Chevalier de Jaucourt en Denis Diderot dachten daar anders over: “Sommige van de grootste intellectuelen blijven middelmatige spelers” (hoofdstuk 43).
Een van de bedoelde intellectuelen was Jean-Jacques Rousseau, in zijn tijd zo beroemd dat het niet nodig was zijn achternaam te gebruiken. Jean-Jacques volstond, iedereen wist wie dat was. Ik ga wat nader op deze Fransman in.
RousseauJean-Jacques Rousseau
 Jean-Jacques Rousseau (1712-1778, portret boven)) had vele verdiensten voor het culturele leven van Frankrijk. Ongetwijfeld was zijn grootste verdienste zijn visie op de opvoeding, neergelegd in de roman “Emile”. Daarnaast publiceerde hij zijn denkbeelden over de rechten die de leden van een samenleving zouden moeten bezitten. Voor de “Encyclopédie” schreef hij artikelen over politiek en muziek. En net als François-André Philidor was hij muziekcomponist.
Gedachten noteren is een, ze leesbaar en meeslepend noteren is twee, en dat kon Rousseau. Daardoor zullen z’n “Confessions” (bekentenissen) over zijn kwalijke eigenschappen (zijn leugenachtigheid, zijn wanen, zijn masochisme), uitgegeven na zijn dood, zo toegankelijk zijn.
Omstreeks 1733, schreef Rousseau in dit werk, deed ik m’n best een goede schaker te worden. Harry Golombek [1976:116-7] vertaalt de passage in kwestie.
In Chambéry (een stad in de Franse Alpen) leerde Rousseau een zekere Bagueret kennen. Deze Bagueret, afkomstig uit Genève, had aan het Russische hof van Peter de Grote verkeerd. Hij was, aldus Rousseau, een der grootste schoften en een der grootste leugenaars die hij in z’n leven had ontmoet. De man zocht Rousseau’s aandacht, ondanks dat Rousseau hem verachtte. Rousseau: “Hij zag het, ik ben slecht in staat een dergelijk gevoel te verbergen”.
Desondanks “haalde de man zich in het hoofd me schaken te leren, een spel dat hij zelf op een zeer bescheiden niveau speelde. Ik ging erop in, eigenlijk tegen m’n zin. Nadat ik ongeïnteresseerd de zetten had geleerd maakte ik tijdens de eerste zitting zulke vorderingen dat ik hem een voorgift van een toren kon geven. Dat gaf de doorslag, vanaf dat moment ging ik voor het schaken”.
Rousseau vervolgde: “Ik kocht een schaakbord, ik kocht een schaakboek. Ik sloot mezelf op in m’n kamer en spande me dagen- en nachtenlang in om partijen in m’n hoofd te krijgen, zonder mezelf een ogenblik rust te gunnen partijen tegen mezelf spelend. Na twee of drie maanden van deze fantastische bezigheid en deze onvoorstelbare inspanningen ging ik naar het koffiehuis, mager, grauw en welhaast versuft. Om te kijken hoever ik was gevorderd speelde ik weer tegen de heer Bagueret; hij versloeg me een keer, twee keer, twintig keer. Er zaten zoveel varianten in m’n hoofd en ik kon zo slecht denken dat er als het ware een floers voor m’n ogen zat. Elke keer dat ik probeer verder te komen via het boek van Philidor of van Stamma gebeurde hetzelfde: ik putte mezelf volkomen uit en ging steeds slechter spelen”.
Tussen haakjes, Philidor raadde iets dergelijks af: je kunt wel openingen uit het hoofd leren, maar na vier of vijf zetten moet je toch op eigen kompas verder.
“Toen ik m’n kamer uitkwam zag ik eruit als een lijk”, schreef Rousseau. “Als ik was doorgegaan zo te leven, had ik zeker niet lang op deze aarde doorgebracht”.
Alembert
Jean Le Rond d’Alembert

Schakende intellectuelen (1)
 Hoofdstuk 4 van Richard Eales’ boek luidt: “Het spel der intellectuelen. 1650-1800”. De leidende gedachte in dit hoofdstuk is dat er in deze tijd spelers opstonden die een beter begrip hadden van wat schaken is dan hun voorgangers en die in staat waren hun inzichten door te geven. Een van hen was Philidor. Citaat: “En na 1650 was er verdere vooruitgang, ondanks dat werkelijk grote spelers ontbraken, omdat de vorderingen die in de theorie van het spel waren gemaakt sinds de tijd van Lopez in gedrukte vorm werden verspreid en wijder bekend werden” [1985:96]. Lopez is de Spaanse priester Ruiz Lopez, die in 1561 in vier delen uitlegde hoe het schaakspel diende te worden gespeeld. Daarmee werd schaken een spel dat je kon leren, en vanwege dit aspect raakten naar Eales betoogt intellectuelen in het spel geïnteresseerd.
Op de intekenlijst van Philidor’s boek van 1777, uitgegeven in een Franse en een Engelse versie, ontbrak de naam Rousseau. Philidor en Rousseau kenden elkaar. Hoe goed weet ik niet, ook niet of ze tegen elkaar hadden geschaakt. Rousseau had niet uit desinteresse verzuimd in te tekenen maar vanwege zijn fysieke gesteldheid: hij was betrekkelijk jong, 65, maar had niet lang meer te leven.
Onder de 280 namen op de lijst allerlei namen van intellectuele beroemdheden. Eales [1985:117] noemt er vijf: de Fransen Marmontel, Suard, Voltaire en Diderot, en de Engelsman Gibbon. Over elk van deze namen enige bijzonderheden.
Jean-François Marmontel (1723-1799) was romanschrijver, toneelschrijver en dichter, maar had daarnaast ook belangstelling voor geschiedenis en filosofie, terwijl hij meewerkte aan de encyclopedie die was opgezet onder verantwoordelijkheid van Denis Diderot en Jean Le Rond d’Alembert. Dit werk, het eerste in zijn soort, stond los van de drie sectoren die in Frankrijk de macht vertegenwoordigden: de universiteiten, de kerk en het koningshuis. Sterker, de “Encyclopédie” veroorloofde zich kritiek op deze instellingen. En op landgenoten die met de borst vooruit liepen omdat zij het superieure schaakspel speelden, zie boven.
Jean Baptiste Suard (1732-1817) was redacteur van twee tamelijk progressief getinte tijdschriften, al was hij minder kritisch dan Diderot en zijn medewerkers. In tegenstelling tot degenen die meeschreven aan de “Encyclopédie” werd hij voorgedragen om lid te worden van het Académie française, de hoogste eer die een intellectueel kon worden bewezen. De eerste voordracht werd afgewezen omdat de gevestigde machten hem niet lustten: hij zou bevriend zijn met d’Alembert en meewerken aan diens encyclopedie. Na de tweede voordracht werd hij wél opgenomen in de rangen van de Académie, zelfs de koning (Lodewijk XV) stemde ermee in.
Voltaire François Arouet de Voltaire (portret boven) (1694-1778), schrijver van essays en toneelstukken, was al eerder gevraagd als lid van de Académie. Opmerkelijk, want hij was een bijzonder kritische geest, die in zijn onstuimige jeugd zelfs een paar keer gevangen werd gezet omdat hij hoogwaardigheidsbekleders beledigde. In 1748 verbleef hij aan het hof van Stanislas Leszczyṅski, die ik hier noem omdat hij in een later hoofdstuk een rolletje speelt. Een jaar later accepteerde Voltaire een invitatie van de Pruisische koning Frederik de Grote voor een langer verblijf aan diens hof in Potsdam. Dit als illustratie van het milieu waarin Voltaire verkeerde.
De Engelsman Edward Gibbon (1737-1794) had een minder avontuurlijk leven dan Voltaire. Hij was historicus met een grote belangstelling voor de Romeinse cultuur, met name voor de oorzaken het verval, en maakte ook een paar jaar deel uit van het Engelse parlement. Ook hij dacht buiten de grenzen die de machtigen wensten te trekken; tijdens een periode waarin hij in Parijs verbleef, zocht hij bijvoorbeeld contact met Diderot en d’Alembert.
Diderot Denis Diderot (portret boven) (1713-1784) schreef toneelstukken en was kunstcriticus, maar zijn belangrijkste bijdrage was toch zijn werk aan de “Encyclopédie”: van de 72.000 artikelen schreef hij er zo’n 6.000. Hij was een der beschermheren van Philidor, schreef bijvoorbeeld de brief waarmee Philidor zich in 1771 in Londen meldde bij Charles Burney (hoofdstuk 44): de heer Burney zou er geen spijt van krijgen indien hij Philidor onderdak wilde verlenen, daar kon Diderot voor instaan. Zijn kritische geest vond een verwant in Voltaire.

Schakende intellectuelen (2)
 Verder onderzoek weerlegt Eales’ aanname dat schaken in de 17e en 18e eeuw het predicaat kreeg een intellectueel spel te zijn. In het volgende hoofdstuk meer hierover.