Hoofdstuk 32

32. Engeland versus de Verenigde Staten
 Mijn analyse van de Engelse spelnamen checkers en draughts bewijst eens te meer hoe de taalkunde bijdraagt aan onze kennis van het verleden.
Ten eerste aan onze kennis van het damspel. Vanaf de 14e eeuw heette het damspel in Engeland checkers. Slaan was een vrije keuze. In de 15e eeuw werd een gedeeltelijke slagplicht ingevoerd; de Engelsen gaven deze variëteit de naam draughts. Checkers werd nog lang gespeeld; waarschijnlijk raakte deze variëteit in de eerste helft der 17e eeuw in onbruik (hoofdstuk 31).
Ten tweede draagt de taalkunde bij aan onze kennis van het schaakspel in Engeland. Onder maatschappelijke druk van dammers ruilden schakers in de 14e eeuw de naam voor hun spel, checkers, in voor de nieuwe naam chess. Dit bewijst dat het damspel een veel gespeeld spel was en het schaakspel een onbetekenend spel (hoofdstuk 15). Dit resultaat corrigeert ons beeld van de middeleeuwse riddercultuur. Het beeld van ridders die veel en graag schaakten behoort echter tot onze collectieve waarheden, en hoe lang kan het duren eer er een genuanceerder beeld ontstaat?
Er wacht rond de spelnamen checkers en draughts nog een derde vraag op beantwoording: waarom is de naam voor het damspel in Amerika checkers en in Engeland draughts? Daarvoor werpen we een (korte) blik in de geschiedenis.

De kolonisatie van Noord-Amerika
 Natiestaten in Zuid- en Noord-Amerika kregen hun algemene omgangstaal van Europese kolonisators: Portugal, Spanje, Engeland.
Vanaf 1585 zendt Engeland schepen naar gebieden die vandaag binnen de grenzen van de Verenigde Staten van Amerika liggen om er grondstoffen te winnen en een nieuwe afzetmarkt voor Engelse producten te creëren. De eerste poging, in het huidige North-Carolina (1585), mislukt. In 1606 volgt een tweede poging: Engelse kolonisten vestigen zich in een gebied dat zij Virginia noemen (naar hun ongehuwde en dus maagdelijke koningin Elisabeth). Zij komen echter stevig in conflict met een Indianenstam. Het weerhoudt de Engelsen er niet van een derde poging te wagen, en een vierde, een vijfde, een zesde. En al de Engelse kolonisators nemen hun moedertaal inclusief de woorden checkers en draughts mee.
Er klopt iets niet. In 1585 en 1606 dammen de Engelsen al minstens een eeuw met de blaasregel. In 1653 kent Thomas Urquhart de oude middeleeuwse variëteit checkers niet meer (hoofdstuk 31). Hoe zat dat? Hielden Engelse dammers tot zeg 1630 vast aan het oude spel met vrij slaan en bekeerden ze zich daarna massaal tot de variëteit met blazen?
Er is een verklaring die volgens mij meer hout snijdt: de Engelsen die de tocht naar Amerika ondernemen wensen een leven te leiden dat zoveel mogelijk letterlijk de Bijbel volgt en stellen zich ook op andere gebieden van het leven uiterst conservatief op ‒ althans in de ogen van andersdenkenden. Ik mag veronderstellen dat zij het damspel van hun voorvaderen blijven spelen en ook vasthouden aan de naam ervoor: checkers.

De Pilgrim Fathers
De groep die model is komen te staan voor de stroom puriteinen die tussen 1630 en 1670 Engeland verlieten ‒in juni 1630 bijvoorbeeld vertrokken er veertien schepen met emigranten vanuit de havens van Bristol, Plymouth en Southampton‒ op zoek naar godsdienstige vrijheid zijn de Pilgrim Fathers. Zij waren de derde groep Engelsen die Amerika bereikten: in 1620 landden zij met het zeilschip Mayflower op de kust van Massachusetts. Dat was niet de bedoeling. Zij zouden zich voegen bij hun landgenoten in North-Virginia maar de wind blies hen uit koers. Meer dan de helft van hen overleefde de winter van 1620-1621 niet, en dan ontvingen zij nog hulp van indiaanse stammen.
Mayflower_in_Plymouth_Harbor,_by_William_Halsall De Mayflower (hier een impressie van de Engelse schilder William Halsall) was vertrokken vanuit Southampton. De grootste groep bestond uit in Engeland wonende Engelsen. Een kleinere groep bestond uit Engelsen die tussen 1609 en 1620 in Nederland woonden. Eerst in Amsterdam maar al spoedig in Leiden. Zij mengden zich niet met andere Engelse vluchtelingen in beide steden, bang als zij waren te worden besmet met verderfelijke ideeën die de puurheid van hun geloof zouden aantasten. En dan moesten zij ook nog wonen te midden van een volk waarvan in hun ogen velen hun geloof niet op een passende manier beleden. Voor de meesten onder hen waren dit de hoofdredenen ‒behalve dat was hun economische situatie was niet al te rooskleurig‒ om in de Nieuwe Wereld een samenleving op te bouwen die zij konden inrichten op de wijze die God van de mens verlangde, of met andere woorden: Gods rijk op aarde te stichten. De roep in onze dagen tot het stichten van een kalifaat is vergelijkbaar.
 In Nederland herinneren gedenktekens in Leiden, zie de plaat onder ‒en er is in Leiden het Leiden American Pilgrim Museum‒ en in Delfshaven (tegenwoordig een Rotterdamse wijk) aan de Pilgrim Fathers. In Amerika houdt de Mayflower Society hun gedachtenis in ere. Het verhaal gaat dat Thanksgiving Day dat de Amerikanen elke vierde donderdag van november vieren teruggaat op de Pilgrim Fathers. Leiden herdenkt elke derde oktober dat de bewoners deze dag in 1574 de Spaanse troepen wisten te verjagen die de stad belegerden (tijdens de Tachtigjarige oorlog 1868-1648), en de Fathers zouden deze herdenking hebben overgenomen. Het verhaal klopt niet: Leidens Ontzet wordt pas gevierd sinds eind 19e eeuw.
Pilgrim_Fathers_detail in Leidse Pieterskerk

Puriteinen
In de samenleving die de Engelse puriteinen nastreefden was de Bijbel de toetssteen. God stond centraal, elke minuut van de dag moest aan Hem worden gewijd. De puriteinen wilden daartoe alles uitbannen wat de menselijke geest kon afhouden Hem te dienen, zoals toneel en de kunsten. Zij verafschuwden de rooms-katholieke Kerk met zijn verering van Maria en cohorten heiligen, wat hen in conflict bracht met de Anglicaanse Kerk, die juist tegen de rooms-katholieke Kerk aanleunde. En zij kregen ook niet alle landgenoten mee in hun streven de gehele zondag biddend door te brengen en hun schilderijen en prenten, triktrakborden, speelkaarten en dobbelstenen uit hun huis te dragen en op te stoken in een vreugdevuur.
 De puriteinen raakten niet alleen in conflict met de kerkelijke autoriteiten. Ook de wereldlijke autoriteiten hadden moeite met leden van een groepering die almaar aandrongen op de sluiting van schouwburgen, kunstenaars wilden omscholen tot fatsoenlijke timmerlieden of zakkendragers en luidkeels protesteerden tegen elke activiteit die hun zondagsheiliging zou kunnen verstoren. De Pilgrim Fathers, die begin 17e eeuw hun moederland verlieten om zich in Nederland te vestigen, voelden zich verjaagd door hun Engelse landgenoten, allen heidenen die Gods liefde afwezen. Zozeer waren hun ogen gericht op God dat zij zichzelf niet de ruimte schiepen om te zien naar hen die hun beleving niet deelden, zodat zij niet leerden naar zichzelf te kijken vanuit de positie van de ander.
Pilgrim museum
                                                  Leiden American Pilgrim Museum

Hieronder aandacht voor verwante onderwerpen.

Puriteinse predikers op het Europese continent
 In de 15e en 16e eeuw zweepten katholieke geestelijken bewoners van het vasteland geregeld met donderpreken op zich ter plekke te ontdoen van hun ringen, hun geornamenteerde gordels en zo meer en die in het vuur te werpen dat daar al uitnodigend brandde. En morgen zou er opnieuw een vuur zijn, opdat zij hun dobbelstenen, speelkaarten en dergelijke verlokkingen van de duivel erin konden werpen om het zondige leven achter zich te laten en uitzicht te krijgen op een eeuwig leven in een der zeven hemelen. De Engelse puriteinen hebben zich nooit aan dergelijke opruiing schuldig gemaakt, en zover ik weet hun geestverwanten op het continent evenmin. Een paar katholieke voorvallen.
In 1428 doorkruiste een zekere Father Thomas Vlaanderen. Hij preekte zo overtuigend dat al zijn schapen hun “tabliers” (triktrakborden), “échiquiers” [bron Victor Gay 1887, 1928, geschiedvervalsing] en “cartes” (kaartspellen) aan zijn voeten legden [Stoep 1984:37]. Een jaar later was het raak in Parijs, na een preek van de eerwaarde Richard: honderden Parijzenaars gooiden hun “tables” (spelschijven), “tabliers” (triktrakborden), hun “cartes” (speelkaarten) en “billes” (kogels voor balspel) op een hoop om ze te laten verbranden. Jacomin Husson, schrijver van de “Chronique de Metz”, verhaalde van een franciscaanse minderbroeder die meeslepend preekte en de inwoners van Metz in 1518 bezwoer geen ringen, halskettingen en versierde gordels te dragen en al evenmin dobbelstenen, speelkaarten en spelborden in huis te hebben, want dat alles was dodelijke zonde. De chroniqeur zelf wierp zes spellen kaarten, ongeveer 25 dobbelstenen, meer dan 70 speelschijven en twee spelborden in het vuur.
In andere landen gebeurde hetzelfde. Volgens een ooggetuige stak de Italiaanse wonderprediker Johannes Capistranus, een franciscaner monnik, op de dag des Heren 10 augustus 1452 in het Duitse Erfurt en omgeving het vuur in allerlei zondig materiaal dat hij had verzameld: 3.640 spelborden, 40.000 dobbelstenen, ontelbare kaartspellen en 72 sleden. Hoe de Erfurter dat alles heeft kunnen tellen, het is me een raadsel. In Italië had de goede man, Capistranus dus, ook Katholieken laten verbranden die stiekem heulden met de duivel (“tovenaars”), in Breslau in 1452 Joden. Paus Alexander VII verklaarde hem in 1490 heilig. ‘Je moet dergelijke zaken beoordelen naar de tijd waarin ze spelen Arie’, spreek ik mezelf vermanend toe.
Begin 16e eeuw bracht Hans Leonhard Schäufelein de gebeurtenis in Erfurt op een houtsnede in beeld [Zangs 1994:114].
Capistrano 1519 (2)
Nederlandse protestanten en dammen en schaken
 In Nederland wezen in de 19e eeuw steile Calvinisten, de morele broeders en zusters van de Pilgrim Fathers, het schaakspel af. Een verklaring: dat spel werd gespeeld met koningen. Natuurlijk was er slechts één koning, en deze Koning zetelde in de hemel; zij zagen de aardse koningen als Zijn afspiegeling. Het is mogelijk; ik weet geen betere verklaring.
Dammen was hun wél toegestaan. Ik vraag me af hoe de groeperingen in dit hoofdstuk staan tegenover het etymologische voorstel dat de Duitse marxistische historicus Joachim Petzold [1986:151,153] lanceerde: de naam van de 15e-eeuwse schaakkoningin, dama, was een hulde aan Maria, de moeder Gods (hoofdstuk 4). Of halen ze daar hun schouders over op?
De Pilgrim Fathers en andere puriteinen, schaakten die? Het is me niet bekend. Schaken was echter in de 17e eeuw in Engeland geen algemeen verbreid spel, dus ik denk het niet.
Kaartspel wezen ze af. Ook de calvinistische Nederlander kaartte niet ‒een spel kaarten heette “des duivels prentenboek”‒, en ook dobbelspel was uit den boze. Dammen mocht kennelijk wel, de Engelse Puriteinen moeten het spel hebben meegenomen; anders kan ik niet verklaren waarom het damspel in Amerika de naam checkers kreeg. Met deze zienswijze ga ik er stilzwijgend van uit, dat de Engelsen het damspel in Noord-Amerika introduceerden en dat de Indianen het spel niet kenden. Gezien de Europese origine van het damspel lijkt het me ook niet aannemelijk dat de Indianen damden.
Tussen haakjes, de richting die de Pilgrims Fathers voorstonden bestaat in Nederland nog steeds onder wat we noemen de bevindelijk gereformeerden.