Hoofdstuk 49

49. Philidor’s vernieuwing
 In zijn boek van 1749 introduceerde de Fransman André Philidor in de schaakpartij een nieuwe strategie. Zo’n vernieuwing komt niet uit de lucht vallen, zeggen schaakhistorici, een eerdere strategie moet invloed op zijn ideeën hebben uitgeoefend. Straks over de inhoud van Philidor’s strategie, nu eerst aandacht voor oude schaakstrategieën.

Oude schaakstrategieën
 In Philidor’s tijd speelden vele schakers volgens de Italiaanse strategie. Harold Murray [1913:868-70]: de 18e-eeuwse Italianen huldigden nog de principes van hun 16e-eeuwse voorgangers als Gioachino Greco: val zo snel je kunt aan met je sterke stukken; zij zien niet de waarde die de pion later in de partij zou kunnen hebben. Greco stond zich voor op zijn briljante ideeën, zegt Richard Eales zuinig, maar ze waren alleen toepasbaar door de verdediger zwakke zetten te laten doen [1985:111]. Joachim Petzold [1986:194]: de Italiaanse strategie, met Greco als aanvoerder, was de koning te bestormen door het offeren van stukken. Het was onridderlijk te weigeren een aangeboden stuk te slaan.
Het doel van de Italianen was een snelle ontwikkeling van de stukken [Murray 1913:824], maar zij zagen niet in dat er daarvoor een sterk centrum nodig was [Golombek 1976:118,121]. De Engelsman Joseph Bertin in zijn boek van 1735, “Noble game of Chess”, evenmin. Bertin wijst ook niet op de waarde van een pion als een potentiële koningin [Murray 1913:847]. Petzold: Een beetje speler vond z’n pionnen onbelangrijk [1986:194].
De Spanjaard Ruy Lopez daarentegen hield in zijn boek van 1561 een pleidooi voor de pion: de strategie van de schaker moet erop gericht zijn een pion tot koningin te promoveren. Deze strategie bezit een groot nadeel, aldus Murray: je krijgt saaie en slome partijen. In de jaren voordat Philidor zijn boek schreef, speelden de Fransen en hijzelf volgens deze strategie [Murray 1913:867].
In Philidor’s nieuwe strategie staat de pion centraal. We zouden kunnen zeggen dat hij verder gaat waar Lopez stopt.

(Afbeelding: een impressie van Lopez die aan
het Spaanse hof schaakt tegen Leonardo da Cutro).
Giovanni_Leonardo_Di_Bona-Mussini

De nieuwe schaakstrategie
 Wat hield het nieuwe principe in?
“Pionnen zijn de ziel van het schaakspel”, luidt in één korte zin Philidor’s nieuwe strategie. Murray [1913:866] en Eales [1985:121] citeren de jonge Fransman uit de Engelse vertaling van 1750. “Mijn belangrijkste bedoeling”, aldus Philidor, “is mezelf aan te bevelen bij het publiek door iets te vertellen waar niemand eerder aan heeft gedacht. Of misschien is er wel eerder aan gedacht maar drong de waarde ervan niet door. Ik doel op het pionnenspel. Alleen met de pionnen kun je goed aanvallen of goed verdedigen, de opstelling van de pionnen bepalen het verschil tussen winst en verlies”. Philidor legt juist het accent op pionnenspel, maakte Eales [1985:115] eerder duidelijk, hij gebruikt de pionnen om de centrale velden van het bord te beheersen.
Jacob Silberman & Wolfgang Unzicker [1977 I:52]: “Essentieel is de vorming van een sterk pionnencentrum. Zoals Lucena leerde, moesten de centrumpionnen door de loperpionnen ondersteund worden”. Lucena is de Spanjaard Luis de Lucena, die in 1496 of 1497 het eerste leerboek na de reformatie van het schaakspel publiceerde (hoofdstuk 4).
Golombek [1976:121] citeert een opmerking van Philidor over een sterk centrum: “Je bent dan veilig tegen aanvallen van je tegenstander” en vervolgt dan: “Dit is een observatie die ook geldig is voor hedendaagse spelers”. Die laatste zin kon hij zich veroorloven omdat hij zelf schaakt op meesterniveau [1976:9]. Hij sluit de notatie van een partij die David Bronstein met zwart won van Julio Kaplan in het toernooi van Hastings, 1975, alsook zijn boek, af met de woorden: “Een partij die Philidor’s goedkeuring zou hebben gekregen. Omdat ik hem, de grootste onder de schakende componisten, graag het laatste woord geef, citeer ik: ‘Pionnen zijn de ziel van het schaakspel’” [1976:239].
Silbermann & Unzicker [1977 I:52] over het pionnencentrum: “Eenheid maakt de pionnen sterk; als zij naast elkaar staan, zijn zij het sterkst. Geïsoleerde pionnen hebben neiging zwak te worden; achtergebleven pionnen worden aanvalsobjecten”.
Goed, de schaker bouwt dus sterk pionnencentrum op. Maar wat doet hij er vervolgens mee? Murray [1913:867]: “De hele stelling is ingericht met het doel een pion te laten promoveren tot koningin”. En hij voegt eraan toe: “De formatie van een sterk pionnencentrum wordt aanbevolen als de eenvoudigste eerste stap naar dit doel”.

Ephraim van Emden en zoon Izak in Koffiehuis de Paradijsvogel A'dam 1785 (2)
Over damstrategie
 Parijzenaar Pierre Manoury geeft in 1770 hetzelfde advies als zijn stadgenoot André Philidor twintig jaar eerder, en dat is toch wel heel opmerkelijk: Bezet het centrum en hou je formatie gesloten als je speelt tegen iemand van dezelfde kracht [1770:107-8,116]. Amsterdammer Ephraim van Emden vijftig jaar na Philidor 1749: Hou de positie gesloten, zodat je tegenstander niet gemakkelijk kan combineren [1785:37]. Je schijven moeten samenwerken, elkaar ondersteunen [1785:32].
En wat is het uiteindelijk doel van de formatie? Manoury [1770:118], Van Emden [1785:9]: met een of meerdere schijven doorbreken en ze laten promoveren tot dam.
De strategie die Manoury en Van Emden aanbevelen, is niet door henzelf uitgevonden, zij beschrijven de praktijk van dammers in hun omgeving.
Linde 02

Overeenkomst
 Ik signaleer een opmerkelijke overeenkomst tussen Philidor’s nieuwe strategie en de strategie waarmee tijdgenoten in Frankrijk en Nederland damden. Zowel schakers als dammers bouwen een sterk centrum op, schakers met pionnen, dammers met schijven. Die pionnen en schijven ondersteunen elkaar, ze vormen een eenheid. Doel is om in de aanval te komen, wat kan resulteren in de promotie van een of meer pionnen tot koningin en de promotie van een of meer schijven tot dam.
“Philidor lanceerde een geheel nieuwe strategie”, aldus schakers. Philidor was zelf een sterke dammer, dat bewijst zijn Nederlandse avontuur in 1745 en 1746 [hoofdstuk 47]. Was zijn strategie wel zo nieuw, vraag ik, keek hij die niet af van dammers?
Dit is natuurlijk een schoolvoorbeeld van een retorische vraag. Het antwoord werd al gegeven in de 19e eeuw. Antonius van der Linde vatte het in zijn hoofdwerk in elf woorden samen: “Das Damespiel drang geistig mit Philidor selbst in’s Schachspiel ein”: met Philidor’s strategie drong het damspel door tot in de ziel van het schaakspel [1874 II:400].