Hoofdstuk 33

33. Van bord naar doos
 In de loop der eeuwen verandert het spelmateriaal van de Europeanen. In komende hoofdstukken komt een bepaald type bord ter sprake, de speldoos. Een beschrijving.

Het tweezijdig bespeelbare middeleeuwse bord
Aschaffenburger bord b
 We zien de triktrakzijde van een middeleeuws spelbord. Het gangbare bord had aan de andere kant een 64-veldenpatroon om te schaken (en sinds de eerste helft der 14e eeuw ook om te dammen).
Er zijn tientallen middeleeuwse beschrijvingen van dit type bewaard gebleven. Zoals deze Franse inventarisatie uit 1373, bij welke familie is onbekend: Un tablier ployant (…) à plusieurs figures, tant au tablier comme en l’eschiquier (…) (een opvouwbaar spelbord (…) met figuren die iets afbeelden, zowel op het triktrakbord als op het schaakbord (…)).
De meubelmaker leverde een dergelijk bord standaard af met schaaktukken (2×16) en schijven (2×15), zoals blijkt uit een rekening voor koning Karel IV van Frankrijk uit 1382: Deux tablets de ciprès ouvrez et garniz de tables et eschaiz (Twee borden van bewerkt cipressenhout met bijbehorende schijven en schaakstukken). Klik hier voor meer beschrijvingen.
Dit type bord verdween niet geheel. De catalogus van de tentoonstelling die het Kunsthistorisches Museum in Wenen organiseerde, beschrijft een bord uit Zuid-Spanje 16e eeuw [Seipel 1998:99] en een uit Noord-Italië midden 17e eeuw [Seipel 1998:100].

De speldoos
 Het platte bord wordt omgeven door een rand, waar de spelers eventueel hun stukken op kwijt kunnen. Ergens in Europa, in welke land weten we niet, timmerde een innovatieve meubelmaker latjes op de randen van de triktrakzijde. Waarom daar? Wel, vóór elke zet gooit de triktrakspeler met twee dobbelstenen, en zo hoeft hij niet steeds in het stof te graaien om die verdomde stenen terug te vinden.
speldoos Eger 210
De meubelmaker creëerde daarmee een doos: een speldoos. Handig, want de eigenaar kan in de gesloten doos zijn schijven en schaakstukken kwijt. Boven het trikrakpatroon van de geopende speldoos. Het triktrakpatroon van de speldoos bestaat uit twee vierkanten.
De buitenzijde van de gesloten speldoos had geen rand, zoals zichtbaar is op dit schilderij van de Vlaamse schilder Michel Sweerts (1652).
Sweerts 1652a
De tegenovergestelde kant van het ruitenpatroon is een vierkant van dezelfde grootte. De meubelmaker vult die ruimte op met het patroon van het molenspel, of met sierlijke bloemen, een oorlogstafereel, een mythologische voorstelling of een dergelijk motief.

De opkomst van de speldoos
In welke periode kwam de speldoos op? De experts spreken elkaar tegen.
De Duitse kunsthistoricus George Himmelheber [1972:38-9] hield het op de 13e eeuw, onder meer verwijzend naar het Aschaffenburger bord, waarin hij een speldoos zag, mijns inziens ten onrechte. Hier het ruitenpatroon van dit bord; boven het triktrakpatroon.
Aschaffenburger bord a
Volgens Harold Murray [1952:44], verwijzend naar inventarisaties bij koning Karel VI in 1412 en zijn zoon de hertog van Berry in 1416, kwam de speldoos op in de 14e eeuw. Naar ik denk vergiste Murray zich.
De inventarisatie uit 1412 betreft een plat bord met twee spelpatronen. Ik geef eerst de volledige beschrijving: “Ung eschiquier de jaspre et de cristal, faict aux armes du feu pape Grégoire, et est par dehors de cipprès, et y a un marellier de marqueteure, et est garni d’eschéz de mesme, tout en un estui” (een cipressenhouten schaakbord van jaspis en kristal, met het wapen van wijlen Paus Gregorius, en er is een ingelegd lijnendambord, met de bijbehorende schaakstukken, alles in een foedraal). De beschrijving zonder detailinformatie over de versiering en dergelijke: “Ung eschiquier et un marellier”.
De inventarisatie uit 1416 betreft geen bord maar een tafel, die in drieën opvouwbaar was: “Une très belle table ployant en trois pieces en laquelle est le marrelier, deux jeux de tables et l’eschiquier, fait de pourfirs (lees porphyre) de Romme, jaspre et autres pierres de plusieurs couleurs” (Een zeer mooie tafel die in drie stukken kan worden gevouwen met het lijnendambord, een dubbel triktrakbord en het schaakbord, gemaakt van purpersteen van Rome, jaspis en andere stenen van verschillende kleur).
De eerste vermelding van een speldoos in mijn lijst met beschrijvingen van spelborden is van 1555. Op basis daarvan dateer ik de opkomst van de speldoos op de eerste helft der 16e eeuw.
In 1519 maakte de Duitser Leonhard Schäufelein een houtsnede van het optreden van de Italiaan Capistranus (hoofdstuk 32) in zijn vaderland midden 15e eeuw: zijn landgenoten wierpen een plat bord in het vuur, geen speldoos [Zangs 1994:114].
Capistrano 1519 (2)

Waarom kwam de speldoos op?
 Wanneer alle bewaard gebleven speldozen een molenpatroon hadden gehad, zouden we misschien kunnen zeggen: omdat de Europeanen graag molen speelden. Dat is echter niet het geval, zodat dit antwoord niet in de rede ligt. Ik weet geen betere verklaring dan deze. Bij het platte bord moesten de stukken apart worden opgeborgen, en hoe gemakkelijk raken er dan geen schaakstukken of platte schijven zoek. De speldoos loste dit probleem op.

Het onbruik raken van de speldoos
 Volgens Hans en Siegfried Wichmann [1960:69], raakt de speldoos in de eerste decennia van de 18e eeuw in onbruik. Dit strookt met mijn analyse van Franse namen voor spelborden [Stoep 2007:113]: na 1700 vermelden schrijvers van woordenboeken geen naam voor de speldoos meer.
80, ABC 1815 Hesse
De speldoos verdween nooit helemaal. Een Duitse leesmethode van 1815 bijvoorbeeld gaf een afbeelding van een doos, zie boven. Naam van de methode: “Ein kleines elementarisches Lesebuch für gute Kinder” (Een klein elementair leesboek voor goede kinderen). Volgens David Parlett [2018:111] komt de speldoos nog steeds voor.
De laatste schilder die dammende personen op de speldoos afbeeldde was de Duitser Heinrich Christoph Gottlieb Breling (1849-1914). Breling staat echter bekend om zijn voorliefde voor historische onderwerpen, en het is de vraag of hij ook op dit schilderij niet een beeld uit een voorbije tijd wilde oproepen.
130. Breling a

De meubelmakers uit Eger
 In de 17e en 18e eeuw kochten aanzienlijke Europeanen kunst aan om elkaar de ogen uit te steken. Het Museum für Kunsthandwerk/Grassimuseum in Leipzig (Duitsland) wijdde een tentoonstelling (1999) aan de inlegkunst van meesters uit de voormalige Duitse stad Eger, het huidige Tsjechische Cheb. Jochen Voigt tekende voor de teksten in de prachtig uitgegeven catalogus.
Een gewild object was de speldoos. Voigt vermeldt namen van makers en van afnemers, cultuurhistorisch zeer waardevol. Wat mij echter vooral interesseert is de naam voor het meubel die tussen begin 17e eeuw en begin 18e eeuw, de bloeitijd van de Egerer kunst [Voigt 1999:46], op de rekeningen verscheen. Die naam is van belang ‒het klinkt naar ik vrees onwaarschijnlijk‒ wanneer ik in een volgend hoofdstuk nog eens inga op de positie van het schaakspel in middeleeuws Frankrijk. De Duitse naam voor de speldoos was onveranderlijk Brettspiel. Enige citaten.
* De Zweed graaf Carl Gustaf Wrangel (1613-1676), staatsman, militair (veldmaarschalk) en rechter, bevriend met koning Karel X Gustaaf van Zweden, bestelde (in de vijftiger jaren?) vier speldozen: Ein Egern brettspiel mit einer Romanische historie, Ein Egern brettspiel, Ein Egern brettspiel worauff ein tournier-spiel (ingelegd met de voorstelling van een middeleeuws toernooi), Ein Egern brettspiel mit bluhmwerck eingelegdt (ingelegd met bloemen) [Voigt 1999:108].
* De stad Eger had een vertegenwoordiger in Praag, Peter Biedermann. Deze maakt in 1659 een belangrijke belastingambtenaar attent op een Brethspiel [Voigt 1999:110].
* In de stad Eger was een regiment ingekwartierd. Voor de adjudanten van graaf Thaunisch werd in 1695 een sauberes eingelegtes brettspiel (een bescheiden ingelegde speldoos) gemaakt [Voigt 1999:112].
* De weduwe van graaf Johann Hartwig von Nostiz (1610-1683) ontving in 1696 van de stad Eger ein brettspiel [Voigt 1999:109].