Hoofdstuk 55

55. De adel en het schaakspel
 Wanneer mijn grootvader en ik een partij schaakten, verviel hij geregeld in een lofzang op het schaakspel. “Het is een koningsspel”, riep hij bij zo’n uitbarsting uit. Hij had nooit van de Engelse schaakhistoricus Harold Murray gehoord, maar diens ideeën over het schaakspel moeten via de Noordzee ons land, Nederland, hebben bereikt. Murray was even lyrisch over het schaakspel als grootpapa. “De adel zag het schaakspel als een bezigheid die haar sociale klasse typeerde”, aldus Murray [1913:863]. En bij die adel waren vorstenhuizen inbegrepen.
 Toen ik Murray’s indrukwekkende “A history of chess” voor de eerste keer door ploeterde ‒grootvader was toen al overleden, hij is niet oud geworden‒, geloofde ik hem grif. Ik zal achter in de twintig zijn geweest. Hoe kon het ook anders?, het boek bevestigde wat ik in m’n jeugd had geleerd. Nu geloof ik niet alles meer, bijvoorbeeld wat Murray over de adel en het schaakspel zegt. In het vorige hoofdstuk heb ik aangetoond dat zijn claim over het schaakspel die ik zojuist citeerde onhoudbaar is.
 Toen ik voor m’n serie over André Philidor de Amerikaanse biograaf George Allen en de Engelse schaakhistoricus Richard Eales raadpleegde, ontdekte ik dat beiden afstand van Murray’s claim namen.

Georg Allen neemt afstand
 Allen [1863:29-30] zag het anders dan Murray: Philidor, en daarmee het schaakspel, verwierf de liefde van de adel toen hij in 1748 naar Nederland reisde om onder de daar gelegerde Engelsen reclame te maken voor zijn schaakboek. “Hier was een gelegenheid die hij niet voorbij mocht laten gaan om het schaakspel een plaats te geven in het leven van mensen met beschaving”, aldus Allen, zelf schaker. Een mens maakt aldoor foutieve keuzes: mijn grootvader heeft me de kans geboden schaker te zijn en ik heb hem niet gegrepen.
 Allen nam in 1863 al afstand van de woorden die Murray in 1913 zou schrijven: in 1748 schaakte de adel nog niet, Philidor reisde naar Nederland om de daar aanwezige Engelse edelen, verwikkeld in een oorlog tegen dat verschrikkelijke Frankrijk, te beschaven met het schaakspel. Dat hij zoveel edelen kon bekeren geloof ik niet. Er tekenden welgeteld twee adellijke militairen op zijn boek in: omnipotent Lord Sandwich voor tien exemplaren en de hertog van Cumberland voor vijftig.

Richard Eales neemt afstand
 Ook Eales legt verband tussen de belangstelling van de adel voor het schaakspel en Philidor, maar niet vanwege diens boek. Philidor vestigde zich in de jaren zeventig van de 18e eeuw jaarlijks voor een paar maanden in de Engelse hoofdstad, wat tot belangstelling leidde voor zijn figuur en zijn werk. Tussen 1770 en 1774 richtten Londenaren twee schaakverenigingen op. Het waren exclusieve clubs, en juist deze exclusiviteit trok de interesse van de adel [Eales 1985:117]. De belangstelling was zeer tijdelijk: in de late jaren tachtig van de 18e eeuw verloren de edelen hun belangstelling. In 1790 zaten bijvoorbeeld slechts 14 man aan aan het diner dat de Londense schakers jaarlijks organiseerden bij de opening van het nieuwe seizoen [Murray 1913:863]. De interesse van de adel voor het schaakspel was een hype; op de intekenlijst van Philidor’s tweede boek (1777) staan de namen van vele edellieden, op zijn derde boek (1790) tekenden slechts 66 man in [Eales 1985:118].
 Eenzelfde ontwikkeling in Parijs: in 1773 werd er onder het beschermheerschap van de Graaf de Provence (de latere koning Louis XVIII) een schaakvereniging opgericht. Er was veel belangstelling, het lidmaatschap gaf maatschappelijk profijt. In de late jaren tachtig zette het verval in, en de jaren van de Revolutie betekenden het definitieve einde [Eales 1985:117-8].

De claim van exclusiviteit
 In Philidor’s tijd kende Europa vier grote bordspelen: schaken, triktrak, molenspel en dammen. Murray eiste voor het schaakspel exclusiviteit: sinds de introductie in het westen omstreeks 1000 n.C. was schaken de favoriet van de adel, claimde hij. Zelfs meer dan favoriet, een edelman of edelvrouw behoorde te schaken [1913:863]. De claim is tegelijk gefundeerd en ongefundeerd. Gefundeerd omdat hij de uitkomst was van gedegen historisch onderzoek. Ongefundeerd omdat Murray onderzoek naar de sociale status van de drie andere genoemde bordspelen naliet. De in 2019 verschenen iconografie van het damspel van Wim van Mourik & Arie van der Stoep, vrucht van 45 jaar onderzoek, bewijst dat Murray’s claim niet klopt: schilders uit alle delen van Europa vereeuwigden dammende adellijke figuren, mannen én vrouwen. Het damspel wortelde in adellijke families dieper dan het schaakspel, concludeer ik, want de edelen die zich als lid van de schaakverenigingen te Londen en Parijs aanmeldden waren allen mannen. Daarnaast poseren op meerdere schilderijen leden van een adellijke of maatschappelijk geslaagde familie pontificaal met een dambord met schijven, wat de indruk wekt dat het damspel een functie had als symbool van hun sociale klasse.

Een historische relatie
 Als opgemerkt zag Murray een historische relatie tussen schaakspel en adel [1913:863]. Murray was gezaghebbend, zijn monumentale werk uit 1913 wordt nog altijd aangehaald, dat bewijst ook weer deze site. Onze maatschappij ziet de middeleeuwse ridder als een liefhebber van schaken, en ongetwijfeld heeft Murray mede dit beeld bepaald door de vele literaire werken uit de middeleeuwen op te sporen waarin het schaakspel voorkomt en eruit te citeren.
 Bepaalde literaire genres zijn betrouwbaar genoeg om te worden gebruikt als bron voor sociologisch en historisch onderzoek, stelde ik in hoofdstuk 17-20, maar de twee middeleeuwse genres waarin het schaakspel een rol speelt vallen daar niet onder. Betrouwbaarder zijn middeleeuwse inventarisaties van spelborden (hoofdstuk 13). Die inventarisaties ondersteunen allerminst het verhaal dat de adel het schaakspel zo hoog had zitten: het gangbare middeleeuwse spelbord was geschikt voor triktrak, schaken en dammen (hoofdstuk 14). Kortom, de beschikbare gegevens wekken twijfels op over het waarheidsgehalte van het verhaal over dat zo populaire middeleeuwse schaakspel (hoofdstuk 21).
 Tégen de gedachte dat de adel het schaakspel hoog achtte, pleit de nieuwe naam die het schaakspel in Engeland kreeg. Zie voor het volledige verhaal hoofdstuk 15, ik vat het hier samen.
 Tot in de 14e eeuw heette in Engeland het schaakspel play at the eschekker, letterlijk “spel op het geruite bord”. Dat was drie eeuwen lang een geschikte naam. In de 14e eeuw ging de middeleeuwer echter dammen op het schaakbord, en toen betekende play at the eschekker zowel schaken als dammen. Lastig, zo’n dubbele betekenis, en de taalgebruiker greep dan ook in: play at the eschekker verloor z’n betekenis schaken. De adel was klein in aantal maar groot in gewicht, maatschappelijk toonaangevend. Indien het schaakspel haar zo nauw aan het hart had gelegen als Murray claimt, had play at the eschekker z’n betekenis schaken niet verloren, de adel zou zich daartegen hebben verzet. Het zelfstandig naamwoord checkers had dan vandaag schaakspel betekend en niet damspel.
 Deze taalontwikkeling in het Engels bewijst dat het damspel in 14e-eeuws Engeland zeer populair was. Ook in Frankrijk was dat het geval, gezien de vele op het damspel geënte metaforen (hoofdstuk 22). Een taal wordt gedeeld door een hele gemeenschap, en we mogen daarom aannemen dat de adel de uitdrukkingen gebruikte. Dit is geen bewijs dat het dammen ook bij de Franse adel populair was en al evenmin een bewijs dat zij het schaakspel niet op de eerste plaats zette, maar het pleit er zeker niet tegen.

Geen historische relatie
 Het is, meen ik op grond van mijn onderzoek, een onjuiste gedachte dat het schaakspel sinds zijn komst in het westen omstreeks 1000 n.C. het favoriete bordspel van de adel is geweest.

N.B. Bron der afbeeldingen: Wim van Mourik & Arie van der Stoep “An iconograpy of draughts” (2019)
Seekatz schilderde Keurprinses Karoline van Duitsland op bezoek bij Prins en Prinses George Wilhelm von Hessen, ca. 1765.