Hoofdstuk 1

1. Waardevrije wetenschap
 Harold Murray was schaker; hij vond het spel dat hij beoefende superieur aan alle andere bordspelen. Dat mag, waarom zou een mens niet vooringenomen mogen zijn? Daar tegenover mag ik de vraag opwerpen of dat mag doorklinken in het hoofdstuk over het damspel in zijn “History of board-games other than chess” van 1952. ‘Het damspel heeft sommige kenmerken gemeen met het schaakspel en dus heeft het damspel die geleend van het schaakspel’, redeneerde Murray. Een vooroordeel gepresenteerd als wetenschap.
Tussen haakjes: in de 21e eeuw zit de Nederlandse damwereld nog steeds met Murray’s schaakfantasie opgescheept. In 1966 slikte Wendel Kruijswijk in zijn damhistorie Murray’s dagdroom als zoete koek en in 2010 vertelde Ton Weenink de droom nog eens braaf na.
In de etymologische woordenboeken vinden we echter opnieuw een als wetenschap gepresenteerd vooroordeel: de naam voor het damspel is te herleiden tot de naam van de schaakkoningin, stellen ze. Het grote Franse woordenboek maakte het het bontst. Évelyne Bourion, de samenstelster van het lemma dame, noteert bij de spelnaam jeu de dames Eloy d’Amerval 1508 als oudste bron. Haar oudste bewijsplaats van het woord dame in de betekenis schaakkoningin ligt ná 1508. En toch noteert ze dame = schaakkoningin als etymon van de spelnaam jeu de dames.
Hier heb ik een interessant sociologisch onderwerp bij de kop, waar ik op een site die de relatie tussen schaken en dammen aan de orde stelt zeker nog op terugkom.