Hoofdstuk 0

0. De tweeling schaken en dammen
 “De zoveelste site over het verleden van schaken en dammen? Pff, we weten alles al”. U heeft het mis: ik garandeer u allerlei nieuwe inzichten, mogelijk gemaakt doordat ik de historie van het schaakspel en het damspel benader via een ingang die op dit terrein onbekend is.
Mijn speurwerk begon in de zomervakantie van 1975. Toen fietste ik naar de gemeentebibliotheek van Rotterdam.
Ik had het standaardwerk van de Engelse schaakhistoricus Harold Murray (1868-1955) uit 1952 geraadpleegd om iets te weten te komen over het ontstaan van het damspel. Ik damde en schaakte sinds m’n jeugd ‒mijn grootvader was schaker‒ en ik wilde weten waar het damspel vandaan kwam.

Murray
Harold Murray

 Het damspel kwam voort uit het schaakspel, zei Murray, wat hij bewees met een serie woorden uit de schaaktaal die dammers hadden overgenomen.
Het intrigerendst vond ik dat Murray de naam voor het damspel verbond met de naam voor de schaakkoningin. De schaakkoningin heet in het Frans dame, aldus Murray. De Nederlandse spelnaam damspel, de Duitse spelnaam Damenspiel, de Franse spelnaam jeu de dames enz. waren volgens hem allemaal vernoemd naar dit woord dame. Het gebeurde rond 1500. “Dit bewijst dat het damspel voortkomt uit het schaakspel”, was zijn conclusie, “want deze spelnamen betekenen allemaal letterlijk “spel met schaakkoninginnen”.
Hier spreekt Murray zich uit over de etymologie van de spelnamen. Het toeval wil dat ik Nederlands had gestudeerd en een en ander wist van etymologie, het onderdeel van de taalkunde dat het etymon van allerlei woorden probeert te achterhalen, oftewel probeert te weten te komen waar woorden vandaan komen. Mijn docenten taalkunde hadden me gewaarschuwd. “Etymologie is een verraderlijk onderdeel van ons vak”, zeiden ze, “en de moeilijkheid wordt zwaar onderschat”. En ze bezwoeren me bij herhaling kritisch te zijn en niet klakkeloos een etymologie over te nemen. Na zoveel jaar resoneert de waarschuwing nog altijd in m’n hoofd.
Het doel van m’n fietstocht waren etymologische woordenboeken: ondersteunden taalkundigen Murray’s visie? Ja, bleek me toen ik de woordenboeken op de plank Etymologie doorbladerde op de spelnaam dam(spel), (jeu de) dames enz. Er was één uitzondering: een Italiaanse linguïst geloofde niet in deze etymologie.
“Je herkent een betrouwbare etymologie aan het onderzoek dat eraan is besteed”, hadden m’n docenten gezegd. “Wantrouw elk etymologisch voorstel waar niet wordt verwezen naar onderzoek”. Murray had geen onderzoek gedaan en zijn etymologie was dus bij voorbaat onbetrouwbaar. De etymologische woordenboeken waren al even onbetrouwbaar, geen enkel woordenboek verwees naar een onderzoek.
Op andere planken stonden woordenboeken uit de 16e en 17e eeuw. Daaronder meertalige Latijnse woordenboeken. In de klassieke oudheid was het damspel onbekend. Wanneer een Latinist in de 16e en 17e eeuw een Latijns equivalent moest vinden voor de Nederlandse spelnaam damspel, jeu de dames enz., welke naam zou hij dan geven? Als hij de spelnaam weergaf als ludus dominarum of iets dergelijks zou de gangbare etymologie wel kunnen kloppen. En dan was het duidelijk waar het damspel vandaan kwam.
De Latinisten echter weerspraken Murray en de moderne etymologen: zonder uitzondering gaven ze de spelnaam damspel enz. weer door een Latijnse naam met de letterlijke betekenis “spel met twaalf schijven”.

007
Arie van der Stoep

 De fietstocht had me geen stap verder gebracht. Want wie hadden er nu gelijk: de moderne etymologen of de oude lexicografen? Er was verder onderzoek nodig, zoveel was wel duidelijk. Maar ja, je werk, je gezin, je sport, je sociale leven, waar haalde ik de tijd vandaan?
Het onderwerp liet me niet los. Tien jaar later reisde ik naar de Universiteit van Leiden en vroeg een onderhoud aan met een hoogleraar Taalkunde. Cor van Bree wilde me wel ontvangen. “De gangbare etymologie van de spelnaam damspel klopt niet”, zei ik. “Ik wil daar een promotieonderzoek naar doen”. We liepen naar de bibliotheek, waar de hoogleraar alle etymologische woordenboeken doornam, meer dan in Rotterdam. Hij keek bedenkelijk. Hij zal gedacht hebben: ‘Daar heb je weer zo’n lastpak die een wetenschappelijke uitspraak aanvecht’. “Ik denk dat je ongelijk hebt”, zei hij. “Ik geef je een half jaar om me te overtuigen. Lukt dat, dan wil ik je begeleiden bij een promotieonderzoek. En zo niet…”.
Enfin. Hij liet zich overtuigen door een A4’tje waar ik links de oudste vermeldingen van de schaakkoningin in het Frans (dame) had opgetekend en rechts de twee oudste bronnen met de spelnaam jeu de dames. De oudste vermeldingen van de schaakkoningin dateerden uit het vierde kwart der 15e eeuw, de twee oudste bronnen van de Franse spelnaam jeu de dames uit 1380 en 1508.
De eerste bron was de Engelse ridderroman “Sir Ferumbras” van 1380; een van de bezigheden van ridders was het spelen van iew-de-dame. In een bijlage verantwoordde ik waarom dit als een vorm van de spelnaam jeu de dames moest worden opgevat.
De tweede een zedenschets rond 1500 geschreven door de priester Eloy d’Amerval uit het Franse Béthune. Het damspel (jeu de dames) was een mooi spel, vond hij, zeker ook al omdat er geen dobbelsteen aan te pas kwam. Eloy was aan zijn werk begonnen in 1496, zijn verhalende gedicht werd gedrukt in 1508. “De twee bronnen ondersteunen elkaar”, zei ik. “Omstreeks 1500 was de spelnaam jeu des dames algemeen bekend, en het schaakspel met de koningin die dame heette was net nieuw”. Van Bree knikte. Ik kreeg groen licht, niet wetende dat het me elf jaar zou kosten om de gordiaanse knoop van de schaak- en damtaal te ontwarren.